‘Arm Vlaanderen’. Geen term die in tijden van communautaire tweespalt meer gebruikt wordt in de media en op sociale netwerksites. De ene keer schertsend, een andere keer met bitterheid over hoe diep Vlaanderen nu weer gevallen is. Het uitgangspunt blijft echter telkens hetzelfde : een aanklacht tegen de mentale staat van de medemens, een rechtstreekse echo van het gelijknamige werk van pater D. A. Stracke, die al in 1914 van leer trok tegen de achterstand en verarming van Vlaanderen.

Achterstelling
Het België van 1914 kwam van ver. Hoewel de Vlaamse beweging al enkele slagen had binnengehaald, waarvan de wet Cooremans-De Vigne waarschijnlijk wel de voornaamste was, bleef de situatie schrijnend. De voornoemde wet, die het Nederlands toeliet in strafzaken, werd uitgevaardigd naar aanleiding van de zaak Schoep. In 1872 werd Jozef Schoep verboden om de geboorte van zijn kind in St.-Jans-Molenbeek in het Nederlands aan te geven. Toen de rechtzetting in 1882 werd doorgevoerd was het kind al overleden. Toch werd de erkenning van het Nederlands als officiële bestuurstaal in 1898 nog steeds op veel tegenkanting onthaald, de stemming in de Senaat was zelfs uitermate nipt met 47 tegen 43.

‘Er zijn twee bloedeigen dingen, die vele rasvlaamsche menschen niet kennen : hun taal en hunne geschiedenis; en toch, taal en geschiedenis zijn eten en drinken voor ieder individueel en nationaal dus ook voor elk Vlaamsch organisme. En daarom is dit organisme ziek en lijdend, en daarom is het rijke Vlaanderen der zoogezegde leidende standen arm, doodarm […].’
Het verzuim is geen zaak van luiheid geweest, maar is de schuld van het Belgische kader: de ‘Vlaamse’ geschiedenis moet onderdoen voor de ‘Belgische’ – vb. de Belgische mythevorming van Henri Pirenne in zijn Histoire de Belgique – en de Nederlandse taal moet te vaak het onderspit delven tegenover het Frans dat nog steeds als socio-economisch breekijzer dient.
Echter, wie zijn geschiedenis kent zal eindelijk inzien welk onrecht de Vlaming sedert 1830 is aangedaan en wie aandacht heeft voor het Nederlands zal inzien dat het Frans de Vlaming steeds heeft belemmerd en ‘[…] het later terug aanleeren van ons Vlaamsch ons weer heeft herschapen tot – en geridderd met – de onuitroeibare kracht en de onovertroffen pracht onzer eigen Vlaamsche natuur.’
Bloedarmoede
Prioritair voor pater Stracke blijft echter het katholieke geloof dat hij ziet als de levensbron van de Vlaamse aard, die vaak verkeerdelijk wordt aanzien als een tegenwerkende kracht, bijvoorbeeld door bisschop Stillemans en later ook kardinaal Mercier. Geloof zet altijd in op de volledigste en heerlijkste menselijkheid en dient dus volgens Stracke voornamelijk de lijdenden te ondersteunen. De geestelijke armoede uit zich in het dagelijkse taalgebruik en de dagelijkse omgang van de mens. Om dat te staven vergelijkt hij Vlaamse met Roemeense mijnwerkers. Terwijl de Roemenen rustig en beheerst op de trein zitten, staan de Vlamingen bekend om hun onbeleefdheid en gevloek, tekenen van een gebrekkige trouw aan het geloof en voor Stracke dus ook uitingen van mentale armoede.
Stracke betreurt de teloorgang van het Vlaanderen van weleer. Waar het ooit koploper was in wetenschappen, literatuur, ondernemingszin en vrijheid is de regio verworden tot de Assepoester van West-Europa. Toch, zo verklaart de auteur, staan die oude deugden nog altijd op een redelijk peil en dienen ze opnieuw uitgeput te worden om vooruit te komen. Daar ligt dus net het heikele punt : niet de huidige staat der dingen is het probleem, wel dat men dat heeft laten gebeuren. Nu is het dan ook de tijd om, nadat Albrecht Rodenbach en Hugo Verriest de basis hadden gelegd, de ‘aanmars’ [sic] te beginnen. Het grootste probleem ligt in het gebrek aan een eigen ‘elite’, aldus Stracke. De Vlaming is een volk zonder toplaag : de eigen elite is verfranst en zit vast in zijn ivoren toren, het volk is ruw en boertig geworden, daartussen zit de middenklasse geprangd, het volk dat de leiders moet leveren.
Een ander geluid : August De Winne

Stracke en De Winne leverden 2 sterk uiteenlopende visies met evenwel dezelfde kerngedachte: Vlaanderen ligt aan de leiband, en dat door zijn eigen schuld. De materiële armoede en de mentale armoede gaan hand in hand als een vicieuze cirkel : de armoede is het gevolg van een gebrek aan aandacht voor cultuur en taal, wat een gevolg is van de armoede an sich.
Mythe van de omgekeerde transfers

Omstreeks de eeuwwisseling betaalde een Vlaams gezin gemiddeld 16,7% meer per jaar aan belastingen, wat kon oplopen tot 60% meer op vererfde kapitalen in Vlaanderen. Dit kwam door het verouderde belastingsysteem. Door de onmogelijkheid om het gemiddelde netto-inkomen van een Vlaams gezin na te gaan om de grondbelasting te berekenen werd de pachtprijs als richtsnoer genomen. Die was echter onevenredig hoog door de relatieve overbevolking. Als gevolg daarvan kende Vlaanderen in verhouding tot zijn welstand ook een onevenredig hoge belastingdruk. Het ‘Arm Vlaanderen’ van De Winne en Stracke was een feit.
Grote Oorlog start van Vlaams reveil
De ‘wederopstanding van het Vlaamse volk’ zoals pater Stracke ze vlak voor de Grote Oorlog vurig bepleitte, is niet geheel verlopen zoals hij ze had voorzien. De verscherping en massificatie van de Vlaamse beweging tijdens de Eerste Wereldoorlog en het interbellum bewerkstelligden echter wel via andere middelen de idealen die Stracke had vooropgesteld. De beweging vond ingang in bredere bevolkingslagen, de vernederlandsing van het secundair onderwijs en de Gentse universiteit gaven de Vlamingen de breekijzers voor een geleidelijke opbloei uit het troosteloze ‘Arm Vlaanderen’.
Michiel Vantongerloo – www.vosnet.org .

