Als enige van de ernstige partijen kiest de N-VA resoluut tegen de directe democratie (“Vlaamse partijen staan niet te springen voor gewestelijk referendum”, De Standaard, 07/03/2014). Zelfs een gewestelijk referendum onder de beperkende voorwaarden die de Belgische wet en de Vlaamse regering eraan zouden opleggen, is haar te veel. Dit is een voorlopig hoogtepunt van een evolutie van de partij in ongunstige zin.
De wet laat Vlaanderen toe om gewestelijke volksraadplegingen over gewestmateries uit te schrijven. De partijen van de vroegere paarsgroene coalitie zijn voorstander, hoewel niet laaiend. Bij O-VLD en Groen ligt dat in de lijn van hun maatschappijvisie, bij de SP.a is het eerder opmerkelijk. Bij haar oprichting was de Belgische Werkliedenpartij vóór referenda op alle beleidsniveaus, maar spoedig verliet zij dit standpunt, en een eeuw lang was zij een bij uitstek autoritaire partij. Zoals de verrassende cannabisstemming op het jongste partijcongres onder de aandacht bracht, is er inmiddels een heuse inwendige partijdemocratie gevestigd, en ook uitwendig is de partij minder dogmatisch dan vroeger.
Ook de CD&V is in goede zin geëvolueerd. Waren christendemocraten vanuit hun oude verknochtheid aan het kerkelijk leergezag altijd de felste tegenstanders van directe democratie, nu huldigen zij een genuanceerder standpunt : “Nee, maar…” Het VB is traditioneel voorstander, zoals wel meer oppositiepartijen, maar staat buitenspel. De beslissende stem komt van de N-VA, en niet voor het eerst.

Toen de N-VA haar grote doorbraak beleefde, waren vele Vlaamsgezinden verheugd. Het bijna-monopolie van het VB op het flamingantisme was ongezond, en vele kiezers zouden toch nooit op “de partij van Filip Dewinter” stemmen. Zelfs Johan Leman moet blij geweest zijn met de vervulling van zijn hartewens : een “fatsoenlijk rechtse” partij die het gapende gat tussen het VB en de centrumlinkse partijen (de ACW-partij alias CD&V en de “sociaal-liberalen” van de O-VLD) kwam opvullen.

De partij wordt om haar ideologische onduidelijkheid geregeld “de nieuwe tsjeven” genoemd, maar ons doet ze vooral aan Agalev denken. Toen de Groene Fietsers, bioboeren en andere chiroleiders ook eens aan politiek wilden doen, gingen zij bij monde van pater Luc Versteylen uit van de juiste analyse dat “de links/rechts-polariteit door nieuwere tegenstellingen ingehaald is”. Maar omdat zij politiek ongeschoold waren, richtten zij zich op het overheersende vertoog, dat nu eenmaal links was, en spoedig werd Agalev/Groen gewoon een socialistische partij. Voor een partij met een sympathiebonus als Groen, of met een machtsbonus als CD&V, kan vaagheid een electoraal pluspunt zijn, maar voor een belegerde partij als N-VA is ze zeer schadelijk.
In dit geval is het weigeren van het gewestelijk referendum koren op de molen van de belgicisten, die zich bevestigd weten in hun veelgehoorde aantijging dat “de N-VA bang is voor een volksraadpleging over de zelfstandigheid van Vlaanderen omdat zij weet dat ze die zal verliezen”. Maar erger dan dit instrumentele nadeel van het N-VA-standpunt is zijn principiële onjuistheid.
Elk bezwaar tegen directe democratie blijkt bij nadere ontleding al gebruikt te zijn als argument tegen de democratie zelf (zoals N-VA-tenor Storme ooit geschreven heeft); wij achten de N-VA niet in staat om er een nieuw te bedenken. Onveranderlijk gaan deze argumenten uit van een mensbeeld dat een tweedeling poneert tussen de massa die te dom en te slecht is om de macht aan toe te vertrouwen, en een elite die enkel genuanceerd en op langere termijn denkt, met alleen het algemeen belang voor ogen. Deze despotische afkeer voor de rechtstreekse stem van het volk is bv. in TV-vraaggesprekken verwoord door Jean-Luc Dehaene en Servais Verherstraeten. Als de N-VA hen nu gaat navolgen, is zij echt haar bijnaam “de nieuwe tsjeven” waard.

Koenraad Elst – www.inflandersfields.eu


