Vlaanderen moet werken aan zijn imago in het buitenland. Dirk Rochtus brak daarvoor als gewezen adjunct-kabinetschef van de Vlaamse minister van Buitenlands Beleid een lans in zijn 11 julitoespraak in Lint.

Handicap

We kunnen de communautaire perikelen natuurlijk ook inbedden in een breder verhaal over de noodzaak van beter bestuur, over de botsing in eigen land over de aanpak van het sociaal-economische, maar dan nog blijven we met een serieuze handicap zitten : weinig buitenlanders kennen onze taal, weinige kennen onze cultuur, terwijl de Franse taal en cultuur op heel wat meer sympathie kunnen rekenen. Daardoor hebben onze Franstalige staatsgenoten in het buitenland een streepje voor op de Vlamingen, ze hebben en genieten soft power. En dat buitenland is niet eens zo ver weg van ons. Het bevindt zich zelfs binnen onze landsgrenzen als je denkt aan de internationale gemeenschap in onze eigen hoofdstad.
De natie zet zichzelf in de verf

Vlaanderen maakt daar meer gebruik van dan de andere federale entiteiten en zet zichzelf als natie zo ook meer in de verf. Onder Geert Bourgeois als vakminister (2004-2008) liep het Vlaams buitenlands beleid (2004-2008) niet toevallig onder het motto ‘Vlaanderen op de kaart zetten’. Daarna werd het in handen gegeven van de minister-president met als argument dat zijn prestige meer deuren zou openen. Maar daarbij werd vergeten dat de MP minder tijd en energie aan het Vlaams Buitenlands Beleid kan besteden dan een vakminister.
Europees
Werken aan een Vlaams buitenlands beleid is niet alleen een kwestie van willen, maar ook ‘van moeten’. De deelstaten moeten wel degelijk een buitenlands en Europees beleid ontwikkelen als ze in de EU willen worden gehoord. Want vele bevoegdheden zijn exclusief en dus wordt België vaak op Europese ministerraden vertegenwoordigd door een deelstaatminister (die vooraf met zijn collega’s een gemeenschappelijk standpunt is overeengekomen). De deelstaten hebben ius tractatis (internationale verdragen sluiten) en ius legationis (ze hebben politieke en economische vertegenwoordigers).

Tegenkanting
Maar het Vlaams buitenlands beleid wordt in eigen land vaak tegengewerkt. In februari 2009 liet toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht zijn licht schijnen op de ambities van Vlaanderen om aanwezig te zijn in de wereld. In zijn kritiek dat de promotie van het Vlaams Buitenlands Beleid ’ten koste van het grotere geheel, namelijk België’ zou gaan, werd De Gucht bijgetreden door Jonathan Holslag en Rudy Aernoudt in opinieartikels die in de zomer van 2009 verschenen in De Standaard. Ik heb daarop gereageerd in De Standaard van 18 augustus 2009 met een opinieartikel getiteld ‘Een Vlaamse brand : waar voor je geld’. De belangrijkste stellingen in mijn opinieartikel waren de volgende :

2) Dat het Vlaams Buitenlands Beleid geldverslindend zou zijn, is een dooddoener die datgene beoogt wat aan de Vlaamse deelstaat wordt verweten, namelijk dat niemand in het buitenland Vlaanderen kent.
3) Waarom zou een deelstaat zich niet mogen profileren ? Begunstigt de naambekendheid van een deelstaat niet ook het grotere geheel ? Beieren bijvoorbeeld promoot zich zelf, trekt toeristen en investeerders en fungeert zo ook als springplank voor de rest van Duitsland. (Kanttekening : het beeld dat vele mensen over Duitsland hebben, is vaak gekleurd door het imago van Beieren.)
Toenadering
Tot slot wil ik nog wijzen op twee actiepunten. Vlaanderen moet meer blijk geven van een ‘internationale mentaliteit’ en toenadering zoeken tot de internationale gemeenschap in Brussel. Zowel overheid als burger schragen deze ‘publieksdiplomatie’ (een term die als ‘public diplomacy’ uit de Angelsaksische wereld is komen overwaaien). Een grote rol speelt daarbij de kennis van vreemde talen en culturen. Maar de veelgeprezen meertaligheid van de Vlamingen behoort tot het verleden. Kennis van het pidgin English is voldoende verbreid, maar hoe zit het met onze kennis van Frans en Duits ? Als we willen dat onze buren ons kennen, laten we hen dan winnen met onze kennis van hun taal en cultuur. ‘Grote culturen hebben geen belangstelling voor kleine’, zegt Yvan Vanden Berghe, emeritus professor internationale politiek. Dat betekent dat we niet bij voorbaat kunnen verwachten dat onze buurlanden, grotere naties, staan te popelen om Vlaanderen (beter) te leren kennen. Als we de aandacht van de groten willen, moeten we naar hen toe gaan. Naar Duitsland en Frankrijk om te beginnen, landen die als brug naar de wijdere wereld fungeren.
Kennis van het Duits is, vanuit het gezichtspunt van de publieksdiplomatie, ook belangrijk omdat Duitsland nu eenmaal de belangrijkste handelspartner van België en in het bijzonder Vlaanderen is, maar ook omdat er bij een bepaald segment van de Duitsers als burgers van een federale staat een gezonde nieuwsgierigheid leeft naar het zeilen en reilen van het federale België.

Kennis van het Frans ontkracht het vooroordeel als zouden Vlamingen een hekel hebben aan het Frans. Buitenlanders hemelen België vaak op als een staat waarin het samenleven van twee volken of taalgroepen een voorbeeld zou zijn voor een meertalig Europa. Ze begrijpen dan ook niet waarom Vlaanderen altijd maar meer autonomie wil of zelfs uit België zou willen stappen. Wil je dus meer Vlaamse autonomie, dan moet je een positief verhaal brengen (en niet de verkeerde indruk wekken dat je iets tegen de Franse taal en cultuur zou hebben). Zelf pleit ik er bijvoorbeeld als lid van de adviescommissie van de Emile-Verhaeren-Stichting in Sint-Amands voor om het literaire erfgoed van de in het Frans schrijvende Vlamingen te herontdekken en te herwaarderen.
Vlaanderen moet ook soft power verwerven, en bezit die al op sommige domeinen, zoals op het vlak van de kunst en de modewereld. ‘Flemish art’, ‘Flemish fashion’ zijn een begrip in de wereld. Vlaanderen is niet zo onbekend, of staat niet zo slecht aangeschreven als tegenstanders van meer Vlaams buitenlands beleid beweren. Vlaanderen moet ook meer toenadering zoeken tot de leden van de internationale gemeenschap in Brussel. Die zijn met tienduizenden. Ze werken in de internationale en Europese instellingen, in denktanks en stichtingen, in de zetel van grote internationale ondernemingen, of als journalist of diplomaat. Contact zowel vanuit de Vlaamse overheid als vanuit het initiatief van individuele Vlamingen, maakt het mogelijk deze mensen een meer genuanceerd beeld van Vlaanderen bij te brengen.
Zegen
Vlaanderen moet in principe niet zitten wachten op het moment waarop het buitenland zijn zegen geeft aan Vlaamse autonomie, maar toch is het belangrijk om internationale goodwill te verwerven om twee redenen :
1) Tijdens het proces van uitbouw van meer autonomie kan je tegengewerkt worden. Een negatief beeld in de internationale media vertraagt het proces, ook al omdat bepaalde krachten in eigen land dat negatief beeld maar al te graag als tegenargument voor meer Vlaanderen gebruiken.

Samengevat
Wat hebben we nodig om publieksdiplomatie vruchten te laten afwerpen ? Talenkennis, openheid, waardigheid in taal en gedrag, rationele argumenten. Ook zelfbewustzijn : Vlaanderen is niet zo onbekend als door sommigen wordt uitgebazuind.
Dirk Rochtus – www.doorbraak.be .

