over “De vreemdelinge” als sluitstuk van zijn werk
Donderdag 17 september 2015 – 20.00u.
Stedelijke Colibrantzaal, Deensestraat 6-7 in2500 Lier
(achterzijde bibliotheek)
Met steun van het Vlaams Fonds voor de Letteren
Toegang : 5 €/3 € (leden) – één consumptie inbegrepen
Let wel : iedereen is welkom, maar enkel vooraf inschrijven geeft zekerheid op een plaats !
Info : hvv.vrijdenkendlier@telenet.be of upv.kernlier@gmail.com
Tel. 03 / 480 89 23 of 0495 / 43 14 29.
De laatste, allerlaatste of voorlaatste ?
In september 2013 begon Walter Van den Broeck aan “De vreemdelinge” te werken. Dit jaar, bij de presentatie was er veel over te doen of dit nu zijn laatste, allerlaatste of misschien wel voorlaatste werk zou zijn. Alleszins is het geen afscheid van de literatuur. Hij heeft materiaal genoeg om nog enkele bijkomende levens romans en toneelstukken te blijven schrijven. En al minstens drie aanzetten voor nieuw werk, waarvan hij nog niet weet wie uiteindelijk de sprint zal winnen. Sinds hij op achtjarige leeftijd verhaaltjes schreef voor zijn klasgenootjes en op zestienjarige leeftijd een toneelstuk voor de plaatselijke kajotters, is schrijven voor hem een levensfunctie geworden zoals ademen, eten en slapen.
Zelf noemt hij deze nieuwe roman zijn laatste werk. Zonder dat het een afscheidsroman hoeft te zijn.
Vanuit zijn levensgevoel is dat rationeel perfect te bevatten. Nu het 75° levensjaar is begonnen, ben je gewoon oud, heb je statistisch gezien nog vijf jaar, je moet plannen wat je absoluut nog wil doen. Je moet zelfs anticiperen voor het geval het minder of slechter wordt dan het statistisch gemiddelde. Daarom “laat mij alvast die laatste roman maar schrijven, dan heb ik dat al achter de rug”.
Een laatste roman waarin hij alles kan plaatsen wat hij gevonden heeft over het leven. Als je al zijn werken vanaf zijn debuut op een rijtje zet, moet dit boek het laatste zijn, het slot van zijn oeuvre dat nu reeds geschreven werd voor als de dood hem onverwacht zou verschalken. Als later een nu nog in de steigers staand nieuw boek (dat dan het voorlaatste zou moeten zijn) zou mislukken is dat niet zo erg.
Wat stelt het leven eigenlijk voor ?
Wat moet er dan in dit ultieme boek geplaatst worden? In de vele interviews die hij bij de presentatie van “De vreemdelinge” gegeven heeft treedt Van den Broeck Albert Camus bij : anders dan de rest van de kosmos die onveranderlijk stabiel blijft, moet het organische leven zich,om in stand te blijven, voortdurend voortplanten.
Maar éénmaal deze voortplanting voorbij is en het nageslacht op eigen benen staat, zit je in de wachtkamer van de dood. Het wordt een voortdurend “epibreren” – naar Simon Carmiggelt “het verrichten van niet nader omschreven werkzaamheden, waarvan men de indruk wil geven dat ze belangrijk zijn, ook al stellen ze niets voor”. Hoogstens kan je het leven enigszins redelijk geordend, dan wel wat aangenamer maken, maar op het einde wacht in essentie het niets. Al is al dat “geëpibreer” een afleiding om de doodsangsten te onderdrukken. Het leven is zoals een salami, het verdwijnt schijfje per schijfje, op het einde is er niets meer over. Alles verdwijnt in het gat van de dood. Het ondergangsgevoel blijft dan ook altijd minstens onderhuids aanwezig.
Het leven een fout of een vergissing in de kosmos noemen, zou onderstellen dat er iemand is die zich vergist heeft, maar zo iemand is er niet. Hoe dan ook blijft het een jammerlijk voorval.
Niet toevallig opent het boek met een citaat van Camus : ”En als een steen tussen andere stenen keerde hij met vreugde in het hart terug naar de waarheid van de onbeweeglijke beelden”. De inspanning om het organische leven voort te zetten is achter de rug. De steen moet niet meer de berg opgerold worden. Blijft de onveranderlijkheid van de kosmos.
Anders dan bij deze eerste grondstroom in “De vreemdelinge”(niet toevallig een knipoog naar “L’étranger”), stelt Camus dat je tegen dat mechanisme als een “homme révolté” in opstand moet komen. Zoals Sisyphus zijn plicht blijft doen en de steen steeds opnieuw en opnieuw de berg op rolt, ook al rolt die nadien nog vlugger naar beneden.
Er is nog een tweede grondstroom : de niets ontziende en alles vernietigende kracht van de liefde, de begeerte, de drang om hoe dan ook het leven voort te planten. De recente waarschuwing voor overstekend reewild, uitgaande van dat andere HVV, de Hubertus Vereniging Vlaanderen, kon Van den Broeck bij het schrijven van “De vreemdelinge” nog niet bereikt hebben, maar zou er perfect in gepast hebben. Tijdens de bronstperiode tussen half juli en half augustus worden reebokken erg onvoorzichtig, zij volgen blindelings hun instinct op zoek naar een partner en vormen een risico op aanrijdingen, vooral in de schemerperiodes.
Een paradox van twee grondstromen, twee invalshoeken dus, van Eros en Thanatos, die in het boek afwisselend op de voorgrond komen.
Een roman is een boek met personages
Ik heb, zegt Van den Broeck, geen non-fictie-boek geschreven, want ik ben geen geleerde. Het boek waarin de paradox van de twee invalshoeken vorm krijgt, is dan ook een roman geworden, een verhaal met personages dus.
Het ironische is dat bij de protagonisten uit het boek het ondergangsgevoel geïncarneerd wordt in de figuur van Tess, de jonge dochter van een wat op latere leeftijd getrouwde jeugdvriend , die het andere hoofdpersonage Bram , een boekhandelaar in ruste, toevallig ontmoet.
Anders dan Camus, wil de jonge vrouw bewust haar rol niet opnemen. Het leven doorgeven is waanzin. Je reproduceren is in feite de dood doorgeven. Ze wil zich dan ook niet voortplanten. Het leven leidt uiteindelijk tot niets. Het erge is dat we uiteindelijk van het leven gaan houden, maar daar verzet het meisje zich tegen. Hoewel fenomenaal intelligent, fel en temperamentvol, aantrekkelijk en erotiserend, verzet ze zich dan ook tegen de niets ontziende kracht van de liefde, die ze als een hinderlaag beschouwt. Eigenlijk wil ze dat het leven, ook haar leven stopt.
Bram, de oudere boekhandelaar, heeft de laatste rechte lijn van zijn leven ingezet. Over algemeen is hij best tevreden over het leven dat hij geleid heeft. Ook al weet hij dat lezen vluchtgedrag is en het resultaat zal verdwijnen in het gat van de vergetelheid en de dood, verkiest hij – anders dan zijn vrouw – het lezen boven het reizen. Naar het woord van Victor Hugo is lezen reizen en reizen lezen.
Toch incarneert hij de wil om zich voort te planten. Hij heeft nog één wens : als vader van enkel zonen en grootvader van enkel kleinzonen wil hij nog een dochter krijgen in de familie. Eén en ander heeft er mee te maken dat hij zijn eerste vrouw en dochter in het kraambed verloor. Geen zwaar trauma, maar bij wijlen een triest gemis.
Met zijn weergevonden jeugdvriend beraamd hij dan ook een complot om zijn kleinzoon Dries te koppelen aan diens dochter om zo tot een (achterklein)dochter in de familie te komen. Schijnbaar slaat de vlam wederzijds over, maar dit wordt afgeblokt door Tess die op de eigen felle, temperamentvolle manier vasthoudt aan haar weigering om het leven door te geven.
Eén en ander eindigt noodlottig. In een surrealistische, apocalyptische sfeer vol vreemde, verhevigde weersverschijnselen die voortekenen zijn van de ondergang van de mensheid en de wereld.
Een verwarrend, bevreemdend boek
Uiteindelijk moet iedereen het boek maar zelf lezen en de komende voordracht door de auteur geeft U de gelegenheid de vragen te stellen die daarbij opkomen.
Het is – zeker naar het einde toe – geen vrolijk boek. Het begin met de wat luchtigere verpakking van een gemoedelijke familieroman. Waarbij autobiografische trekken niet ontbreken, zoals de verwijzing naar het Turnhoutse Epibreergenootschap , in het boek de Koninklijke Kamer van Reflectie en Consideratie genoemd. Het staat vol literaire verwijzingen : uiteindelijk was Bram boekhandelaar, neemt zijn zoon Raf de boekhandel – tegen de markt in – over en opent hij een antiquariaat met eerste drukken. Naast filosofische contemplaties zijn er ook de alledaagse scenes met verrassende wendingen zoals we die van Van den Broeck kennen. Wat het geheel best verteerbaar maakt.
De gemoedelijke familieroman neemt langzamerhand de vorm aan van een groteske, zonderling en grillig als de noodlottige natuurverschijnselen. Volgens de auteur noodzakelijk om te zeggen wat hij te zeggen heeft.
Of er met de zinloosheid van het leven en het afscheid van de wereld te leven valt, blijft in het midden. Zelf zegt Van den Broeck dat hij met een zekere gelatenheid de paradox van Eros en Thanatos heeft overstegen, dat hij zich verzoend heeft met de eindigheid van het leven. Zoals Bram op het einde van het boek het geheel “loslaat”.
Maar wat gezegd moest worden is gezegd. Of naar de woorden van de auteur : “ik weet dat ik de wereld niet kan veranderen, maar wil dat men na mijn dood weet dat ik niet naïef ben geweest”.
Jaren geleden luidde het geëngageerder : “Er moest zo geschreven worden dat je de wereld ietsje beter achterliet, dan dat je hem had aangetroffen”. Was dat misschien een naïef uitgangspunt ?
In het kort over Walter Van den Broeck
Walter Stefaan Karel Van den Broeck werd in maart 1941 geboren in de cité, de arbeiderswijk van de fabriek in Olen. Zelf zegt hij “Mijn wortels liggen op t’ stort aan het einde van de Olense Koperstraat. Daar waar mettertijd mijn as zal terechtkomen”. Toch voelt hij zich niet echt helemaal een Kempenaar. “Ik ben nooit ondergedompeld in een katholiek bad. Die devote Kempen zag ik nog wel, maar ze trok aan mij voorbij”. Geen “Kempens Karakter”-figuur dus.

Ook met Lier heeft hij nauwe banden. In 1961 studeerde hij af aan de Lierse Rijksnormaalschool als regent Nederlands-Geschiedenis. Zijn vrouw leerde hij kennen op het Atheneum in Lier. Het is zijn vrouw die als eerste lezeres van zijn boeken zich afzondert in een hotel in Lier om ze van aantekeningen te voorzien.

Hij vatte zijn loopbaan aan als leraar in het Rijksonderwijs, om in 1972 hoofdredacteur te worden van de huis-aan-huis-krant “Turnhout Express”.
In eigen beheer gedebuteerd met “De troonopvolger” in 1967 is hij de auteur van tientallen romans en toneelstukken. Bij deze laatsten is vooral “Groenten uit Balen” (1972) bekend, dat nog steeds wordt opgevoerd en recent verfilmd werd. Zijn grote doorbraak volgde na de roman “Brief aan Boudewijn”, gevolgd door vier volgende volumes uit de cyclus “Het Beleg van Laken”.
Walter Van den Broeck ontving in 1982 de Staatsprijs voor toneel en in 1993 de Staatsprijs voor Proza. In 2008 werd hij lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal-en Letterkunde. In 2009 riep een expertenjury van het weekblad “Knack” hem uit tot de belangrijkste nog levende Vlaamse auteur.
Georganiseerd door :
Humanistisch-Vrijzinnige Vereniging Lier
Uitstraling Permanente Vorming Lier
Huis van de Mens, Begijnhofstraat 4, Lier
Foto’s (c) Reporters.









