Door Angélique Vanderstraeten – (c) ’t Pallieterke .

De OESO wees vorige week op een van de fundamentele zwaktes van de Belgische economie : de ondermaatse productiviteitsgroei. Economisch jargon voor een statische economie. En opnieuw : over de Vlaams-Waalse verschillen blijft men weer zeer vaag.

Het is een traditie begin juli. Net op het moment dat in de Wetstraat stilaan een vakantiegevoel heerst, komt de Studiecommissie voor de Vergrijzing met cijfers over de toenemende kost voor gezondheidszorg en pensioenen. Waar jarenlang voor gewaarschuwd werd, is een feit geworden. Namelijk dat de kosten voor de vergrijzing van de steeds grotere groep van babyboomers die met pensioen gaan, blijven oplopen. De babyboomers vormen de groep die na 1945 is geboren.

Financiering sociale zekerheid problematisch

Een belangrijk deel daarvan is al een tijd met pensioen, en nu komt de groep die halverwege de jaren vijftig van vorige eeuw is geboren. Elke dag zijn er honderden inwoners van dit land die met pensioen gaan. En dat is meer en meer te zien in de statistieken. De sociale uitgaven blijven stijgen. In 2024 zullen die uitgaven 6,3 miljard euro hoger liggen dan vandaag.

Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing zal in 2040 29 procent van het bbp naar de sociale zekerheid vloeien. Een magere troost: dat is het hoogtepunt. Daarna daalt het gewicht van de sociale uitgaven. Maar de financiering van de sociale zekerheid is eigenlijk onbeheersbaar geworden. De sociale bijdragen van de werkenden zijn niet langer voldoende om alles te financieren. Dat is al jaren het geval. De sociale zekerheid moet steeds meer uit de algemene middelen worden gefinancierd. Met belastingen, dus.

Een oplossing om die vergrijzingskost onder controle te houden, is met meer mensen werken en vooral langer werken. Er doet zich hier al enige tijd een positieve evolutie voor, maar het blijft ondermaats. Zoals bekend moeten er in België 700.000 banen bijkomen om ervoor te zorgen dat de werkzaamheidsgraad hier op hetzelfde niveau is als in Nederland of de Scandinavische landen. Maar dat is niet voldoende.

Productiviteitsgroei verzwakt

Een ander belangrijk element in de financiering van de vergrijzing is de productiviteitsgroei. In mensentaal: hoe productiemiddelen als arbeid en kapitaal in resultaat worden omgezet. De toenemende productiviteit was lange tijd een cruciale factor in de groei van de westerse economieën. Op een uur tijd werden steeds meer diensten geleverd en goederen geproduceerd dankzij de technologische evolutie. Dat ging van stoommachines over elektrificering tot digitalisering. Alleen, die productiviteitsgroei is de voorbije jaren sterk onder druk komen te staan.

Dat blijkt uit een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). De rijke OESO-landen kenden tussen 2007 en 2018 een productiviteitsgroei van bijna een procent. België zit aan minder dan 0,5 procent. De redenen zijn talrijk. Er wordt te weinig geïnvesteerd in opleiding en levenslang leren, de arbeidsmarkt is niet flexibel genoeg, tal van productmarkten worden afgeschermd, de infrastructuur kan stukken beter…

Dat weegt op de toename en de betaalbaarheid van de vergrijzing. De ondermaatse productiviteitsgroei, die de algemene economische groei beperkt, is een vergeten economisch probleem. Ook in andere EU-landen staat die groei onder druk, maar België scoort stukken slechter.

Probleem is ook dat de Studiecommissie voor de Vergrijzing een te positief beeld ophangt van de voorspelde productiviteitsevolutie. Volgens het laatste rapport zal de productiviteitsgroei van 0,1 procent vandaag versnellen naar 1 procent in 2030 en 1,5 procent vanaf 2045. Dat is weinig realistisch. Om die doelstellingen te halen, is een diepgaande modernisering van de economie nodig. Dat betekent onder meer dat een aantal beschermde beroepen moet worden aangepakt. En dat producten en diensten die het resultaat zijn van studiewerk aan universiteiten via spin-offs ook daadwerkelijk moeten worden vermarkt. Ten slotte is het hoog tijd om aandacht te besteden aan de regionale verschillen in de productiviteitsevolutie. De kloof tussen Vlaanderen en Wallonië moet ook in deze zeer groot zijn, maar niemand spreekt erover.

Foto’s (c) Gazet van Hove.