Waarom de sector beter de hand in eigen boezem zou steken
Het kot is te klein in het Vlaamse cultuurland : een grote buikriemoperatie, getekend Jan Jambon, leidt ertoe dat de werksubsidies met 6% terugvallen, en de éénmalige projectsubsidies zelfs met 60%, namelijk van 8,47 miljoen naar 3,39 miljoen euro.

Bloed en sperma
Iedereen die mij kent weet dat ik een cultuurbeest ben. Maar meer geld voor cultuur leidt niet tot betere cultuur, dikwijls integendeel zelfs. Een klassieke slokop, Jan Fabre en zijn vzw Troubleyn, goed voor bijna één miljoen euro (!) per jaar, brengt al vanaf de jaren ’80 van vorige eeuw theater van een twijfelachtig niveau, met lachwekkende gimmicks die niemand nog choqueren, zoals zijn ‘performance’ op 13 juli 2017 in Wenen, waar hij met ezelsoren voor een verbaasd publiek een actrice in een barokke trappenzaal een tong draait. Op andere momenten is het publiek masturberen geblazen en worden er vele kilo’s bloederig slachtafval op de scène gekwakt. Wie dat, ondanks de hoogdravende begeleidende teksten, hoogstaand theater vindt, verwart kunst met de inventiviteit die in een studentendoop wordt aan de dag gelegd.

Deze kunst beweegt zich ook in een internationaal uitwisselingscircuit waardoor Fabre bijna meer in Venetië zit dan in Antwerpen : zo’n subsidiekunstenaar komt automatisch in een netwerk terecht van kosmopolitisch denkende instituten waar gelijkgezinde charlatans elkaar ontmoeten en een hype creëren van ‘nieuwe, vernieuwende’ kunst, ontoegankelijk voor de gewone man en vrouw. Maar dat geeft niet, integendeel: die begrijpen toch niets van kunst en vloeken bijvoorbeeld ook op de fluo blokken (Rock Strangers) van Arne Quinze die de Oostendse zeedijk permanent ontsieren. Het stadsbestuur heeft er veel voor betaald, dus blijven ze staan, in de veronderstelling dat gewenning tot liefde leidt. Helaas, de Oostendenaar ervaart het als een kankerplek.
Horen zien en zwijgen

Feit blijft dat heel die bedoening om zichzelf draait, en als narcistische clownerie nauwelijks een publiek draagvlak heeft. En daar nog prat op gaat ook. Wel is er veel positieve respons in de media : cultuurrecensenten scharen zich graag aan de kant van de elite die het allemaal begrijpt en waardeert, er moet nu eenmaal een verschil zijn.
De bubbel van intellectuelen en journalisten, met onder meer de cultuurzender Klara als geliefde ontmoetingsplek, zorgt voor een permanente barrière tussen wetenden en onwetenden, ook al beweren ze het omgekeerde. Radio Klara is dé cultplek van het Vlaamse cultuursnobisme, geëtaleerd in een bekakte toon die niet van deze planeet lijkt. Gewone mensen kunnen mits opvoeding ook wel zover komen, maar er is werk aan : heel de post-’68 dynamiek van de verlichte, hippe culturo is gebaseerd op een onderscheid tussen de intellectueel/meerwaardezoeker en de domme lezer van HLN. De eerste inspireert, verlicht, de tweede moet zwijgend accepteren, zijn ondeskundigheid erkennen, eventueel aansluitend wegzappen naar VTM. Het is in zo’n klimaat dat gemeenschapstoelagen voor kunst en cultuur in vraag worden gesteld. Terecht denk ik.
Cultuur en weldenkend-links

Grensverleggend in dat opzicht was het initiatief in 2014 van DS-cultuurjournalist Wouter Hillaert en Hugo Franssen, toenmalige baas van de extreem-linkse uitgeverij EPO, om Hart boven hard op te richten, een beweging die vooral door de vakbonden en 11.11.11 werd gedragen en waarin de cultuurwereld werd opgeroepen om de gehele rechterzijde te discrediteren als asociaal, cultuur-vijandig en anti-democratisch. Met het cultuurmagazine Rekto Verso als voornaamste vehikel.
Natuurlijk is politieke oppositie legitiem, er mag en moet dissidentie zijn. Maar dat activisme van de cultuursector leidde tot rare neveneffecten: een lezing van Theo Francken aan de Gentse universiteit diende in 2017 geannuleerd wegens protest van linkse actievoerders die bij Hart boven hard aanleunen. Verstoringen van zogenaamd rechtse sprekers werden schering en inslag. Vooral aan de universiteiten werd de pensée unique, en de evenredige uitsluiting van andere meningen, een vast gegeven. De fameuze geur van rotte eieren die vandaag in de gebouwen van de Gentse universiteit aan de Blandijnberg hangt, komt van een stinkbom die werd gedeponeerd om een debatavond, georganiseerd door de Nationalistische Studenten Vereniging, te beletten. Iedereen aan de unief weet dat, maar de media houden zich aan de officiële versie, verspreid door het rectoraat zelf : oorzaak onbekend, de rest is complottheorie.
Ondertussen in het Cultureel Centrum

De verantwoordelijke van dat ene cultureel centrum wist me te vertellen dat ze me absoluut wou vragen in plaats van nog maar eens stoffige zekerheden als auteur Chris De Stoop uit te nodigen, niettegenstaande men haar had verwittigd dat ze er ‘grote problemen’ mee kon krijgen. De Vlaamse administratie, verantwoordelijk voor de werking van onze lokale cultuurhuizen, geeft dus blijkbaar niet mis te verstane wenken : sprekers die de mainstraim media kritisch belichten, of het cultureel establishment in vraag stellen, worden als ‘(extreem-)rechts’ beschouwd en dus niet-programmeerbaar, dit nota bene op een door de Vlaamse gemeenschap bekostigd forum.
Deze ideologisch-paternalistische tunnelvisie is de tweede reden waarom het publieke draagvlak voor cultuur afkalft, na de eerder genoemde masturbatie-industrie à la Fabre. Eigenlijk stelt zich de vraag of wij wel een cultuurministerie nodig hebben, en of kunstenaars en kunsthuizen niet moeten leren hun eigen boontjes te doppen, door middel van crowd funding en andere fondsverwervers. Zoals de Vlaamse publieke omroep en heel het medialandschap, is de cultuursector toe aan een paar grondige existentiële vragen over bestaansredenen, wat doet ze, voor wie, met welk oogmerk.
Zomaar wat voortmodderen, al dan niet met een paar duizendjes minder, is niet meer aan de orde. Het gaat hier om instellingen uit de 20ste eeuw, die hun tijd overleven dankzij een overheidsinfuus, en dat is het absolute tegendeel van wat cultuur volgens mij zou moeten zijn: origineel, tegendraads, beklijvend maar ook verleidend en zelfwerkzaam, niet parasiterend op het establishment.
JOHAN SANCTORUM

