La Belgique sera latine ou ne sera pas…
Bij het ontstaan van België had Frankrijk zijn oog al laten vallen op deze bufferstaat. Toch belandde België uiteindelijk in Frans vaarwater. Johan van Duyse onderzoekt hoe dit gebeurde.
Geboorte van een bufferstaatje
‘La Belgique sera latine ou ne sera pas’. De uitspraak uit 1915 van wallingant Raymond Colleye wordt nu en dan toegeschreven aan Charles Rogier, ten onrechte. Ze betekent wat ze betekent, niet meer, niet minder. Ze betekent níet dat wie overtuigd was dat enkel eentaligheid het land kon redden, als ultieme droom de aanhechting bij Frankrijk in het achterhoofd had.
De bufferstaat die het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was, zou het maar van 1815 tot 1830 uitzingen. Met de opstand ontstond een nieuw land : België. Om te overleven had dat de hulp van Franse troepen nodig toen het Noorden gedurende tien dagen probeerde terug te slaan. Het deed die andere grootmacht, Pruisen, inzien dat dat nieuwe land als militaire macht niets voorstelde en dat het daarom de militair-strategisch belangrijke Maasovergangen in Limburg best in eigen handen hield.
België : rijpe peer voor Frankrijk

Omsingeling door de buren
Europa stond tussen pakweg 1848 en 1870 in brand. Duitsland evolueerde naar een eenheid en Frankrijk droomde van de grandeur van het begin van de 19de eeuw. Het kreeg er in 1860 Savoie en Nice bij en Brussel was bang dat hiermee de Franse uitbreidingshonger niet gestild was. België was er zich van bewust dat het wellicht pasmunt was in het pokerspel van Bismarck die een oogje had op het Rijnland.
Zou de ‘ijzeren kanselier’ dit kunnen naasten door Frankrijk te paaien en het België aan te bieden ? In 1866 sloten Bismarck en graaf Benedetti, de Franse ambassadeur in Berlijn, een geheim verdrag af. Dat voorzag in een geheime clausule de inlijving van België. Het ontwerp werd niet ondertekend, maar Bismarck bewaarde het ontwerp en liet het in 1870, tijdens de Frans-Duitse oorlog lekken. De maanden erna was Frankrijk in België niet echt geliefd, om een eufemisme te gebruiken.Tussen 1870 en 1914 behield België zijn neutrale opstelling en keek vooral naar Londen om die te garanderen. Al was men ook beducht voor een Engels-Franse preventieve inval in België, gericht tegen Frankrijk. Dat zou pas een moeilijke situatie creëren. België wou een satelliet zijn van Duitsland, noch van Frankrijk.
De pogingen van Napoleon III zouden een generatie lang blijven nazinderen. Ze beïnvloedden zelfs de oudere Belgische politieke generatie die de Eerste Wereldoorlog in moest. Men bleef immers bang voor de ultieme Franse bedoelingen. ‘Vazalisering’ vat de angst in één duidelijk woord samen.
Grenzen tegen Duitsland
De augustusdagen van 1914 waren ontnuchterend voor België. De neutraliteit van 1839 kon door de garanten niet verzekerd worden. Na de oorlog moest ervan worden afgestapt. Beter verdedigbare grenzen waren de militaire argumenten die de economische verzuchtingen rond de haven van Antwerpen, de verbinding naar het Rijnland en de ontsluiting van industriestad Luik moesten versterken. Frankrijk wou die plannen wel steunen omdat het makkelijk verdedigbare grenzen tegen Duitsland wou. Luxemburg moest in Franse invloedssfeer komen, de linkeroever van de Rijn evenzeer. En, om de omsingeling helemaal rond te maken, zou het best zijn dat Nederlands Limburg bij België kwam.

Wie garandeert Belgische veiligheid ?
België wou daarom niet alleen van Frankrijk militaire garanties wanneer het zou aangevallen worden, ook al was Duitsland even uit beeld als potentiele agressor. Bij de Verenigde Staten ving men echter bot, toen dat land het verdrag van Versailles niet goedkeurde. Groot-Brittannië wou wel, mits België zijn neutraliteit opgaf, iets waar België niet aan dacht. Frankrijk reageerde enthousiast.
De onderkoelde betrekkingen tussen België en Frankrijk ontdooiden langzaam. De banden werden sterker toen België Frankrijk te hulp schoot bij de bezetting van het Ruhrgebied. Daar waren onlusten uitgebroken (de Kapp-revolutie). Duitsland intervenieerde, ondanks het Versailles-verdrag, dat hen verbood in deze gedemilitariseerde gebieden op te treden. Frankrijk trok het Ruhrgebied in, met steun van België, en tot afschuw van Londen, dat Berlijn wel zijn fiat had gegeven. België had nu geen keuze meer, stond alleen, had één bondgenoot en het Frans-Belgisch militair akkoord kwam er.
Geketend aan Frankrijk
Onze politici hadden zich vastgeklonken aan dat land waarvan ze altijd vreesden dat het de ultieme bedreiging voor de onafhankelijkheid zou zijn. Voor Vlamingen zoals Frans Van Cauwelaert was minister van Buitenlandse Zaken Hendrik Heymans de boeman en het zinnebeeld van de belgicist die droomde van ‘heim in Reich’ met Frankrijk. Nu was Heymans tijdens zijn politieke carrière juist wel druk bezig om het Franse gevaar te bezweren. Hij had echter geen enkel begrip voor de Vlaamse Beweging. Voor hem moest ‘Belgique Latine’ zijn. Of ‘ne sera’ pas.
Dat Frans-Belgisch militair akkoord maakte van België een springplank voor een mogelijke Franse aanvalsoorlog. Terwijl het voor België net de bedoeling had uit de oorlog te blijven. Frankrijk nam de Belgische bezwaren niet au sérieux : het waren binnenlandse oprispingen met communautaire inslag. Het akkoord was nu eenmaal helemaal niet populair in Vlaanderen, dat niet ten onrechte een verdere invloed van Frankrijk vreesde. Maar dat Belgische politici meeschreven aan een hoofdstuk in het ultieme scenario om België in Frankrijk te doen opgaan, is vele bruggen te ver.

