door Jan Huijbrechts in ’t Pallieterke .

Op 18 april 1898 – precies 125 jaar geleden – nam de Kamer van Volksvertegenwoordigers de Wet betreffende het gebruik der Vlaamsche taal in de officiële bekendmakingen aan. Vandaag zegt u dat wellicht weinig, maar dat was een mijlpaal in de Belgische wetgeving want vanaf dan werden ’s lands wetten in het Frans én het Nederlands gestemd, bekrachtigd, afgekondigd en bekendgemaakt. En dit ging meteen ook op voor alle andere officiële overheidsakten zoals de koninklijke en ministeriële besluiten.

Deze wet, die vaak ook naar de indieners de Wet-Coremans-De Vriendt wordt genoemd, zorgde er voor het eerst sinds de stichting van de Belgische staat in 1830 voor dat het Nederlands als officiële landstaal op gelijke voet met het Frans werd gesteld. Vandaar dat deze wet in de historiografie van de Vlaamse Beweging ook als de ‘Gelijkheidswet’ bekend staat.  

Tom d’Waes

Niemand – en zelfs Tom Waes niet in ‘Het verhaal van Vlaanderen’ – vindt het vandaag de dag blijkbaar nog de moeite om erop te wijzen dat het niet minder dan 68 lange jaren geduurd heeft vooraleer het Nederlands, de taal van de meerderheid van de burgers in Belgenland, in het officiële taalgebruik door de Belgische overheid hetzelfde statuut dan het Frans kreeg. Deze wet voorzag in een gelijke behandeling op overheidsniveau van het Nederlands en het Frans. Vandaag de gewoonste zaak ter wereld, maar toen ronduit revolutionair. Voor het eerst werd het rechtsbeginsel van gelijkheid van alle Belgen gebruikt als een basisvoorwaarde voor meer democratie. 

De Gelijkheidswet voorzag in een gelijke behandeling op overheidsniveau van het Nederlands en het Frans

Sociale ongelijkheid

En het was absoluut geen toeval dat hierbij de taalkwestie centraal stond, want die was illustratief voor de bestaande sociale ongelijkheid in het land. De Belgen mochten dan al na de muiterij van 1830 vrij zijn, maar gelijk waren ze zeker niet. Op politiek noch op sociaal en economisch vlak, en zeker niet op taalkundig vlak. In Vlaanderen en Brussel werd door de burgerij enkel Vlaams gesproken met de meid en de tuinman. In Wallonië was het Vlaams enkel te horen in de mijnstreek van de Borinage waar de Vlaamse gastarbeiders massaal naar het zwarte goud dolven. Overal in het land, van De Panne tot Arlon, was het Frans de dominante taal in het onderwijs, de administratie en het gerecht. Het lijkt een beetje karikaturaal maar het was dat absoluut niet : je kon in het Belgische leger tot generaal worden bevorderd zonder enige kennis van het Nederlands, maar geen korporaal worden zonder Frans. Deze wanverhoudingen op taalvlak vormden dan ook de perfecte weerspiegeling van de machtsverhoudingen die sinds 1830 in Belgenland golden.

Edward Coremans en Juliaan De Vriendt

Onder druk van de snel aan populariteit winnende Vlaamse Beweging en na de invoering van het algemeen meervoudig stemrecht in 1894 groeide over verschillende partijen heen een consensus ten gunste van het gebruik van het Nederlands in de parlementaire debatten en voor de erkenning van het Nederlands, naast het Frans als officiële landstaal. Dat resulteerde in het wetsvoorstel dat de Vlaamsgezinde katholieke volksvertegenwoordigers Edward Coremans en Juliaan De Vriendt op 13 maart 1895 indienden ter gelijkberechtiging van beide landstalen in het legislatieve werk. De Antwerpenaar Coremans had eerder al naam gemaakt met de eerste taalwetten. Op zijn initiatief waren de wetten op het gebruik van het Nederlands in de strafrechtspleging van 1873 en 1891 en die op het middelbaar onderwijs van 1883 ontstaan. De Vriendt had, kort na zijn aanstelling als Kamerlid, geschiedenis geschreven door op 16 november 1894 als eerste Kamerlid ooit een redevoering in het Nederlands te houden. 

Je kon in het Belgische leger generaal worden zonder enige kennis van het Nederlands, maar geen korporaal zonder Frans

Hun wetsvoorstel werd op 17 juli 1895 in de speciaal hiervoor opgerichte commissie goedgekeurd. Na de parlementsverkiezingen van juli 1896 werd het op 19 november met een grote meerderheid – 92 ja-stemmen, drie neen-stemmen en één onthouding – door de Kamer aanvaard. 

 

“gauche, droite” …pour les Flamands la mëme chose

Bange Franstaligen

De goedkeuring lokte talloze reacties uit. Aan Franstalige zijde waren enkel de socialisten voor omdat ze het gelijkheidsidee, die achter de wet schuilging, genegen waren. Alle andere Franstaligen, of ze nu in Vlaanderen, Brussel of Wallonië woonden, vormden echter een front tegen deze wet. In hun streven om de taalkundige en dus politieke gelijkheid tussen Vlamingen en Franstaligen af te remmen, lobbyden ze massaal en dreigden ze de wet te boycotten omdat ze vreesden dat deze wet – met de steun van de katholieke regering – zou leiden tot de volledige tweetaligheid van het land. Een doemscenario voor de Franstaligen die vreesden dat hun dominante positie in het land werd ondermijnd door de Vlaamse Beweging die riep om gelijke toegang tot de machtsbronnen en taalrechten. Een in hun ogen reële dreiging, die in het ergste geval zou kunnen uitdraaien op een omkering van de machtsrelaties in het land waarbij de ondergeschikten zouden heersen en de onmachtigen de macht zouden grijpen… Sterker nog, het Vlaamse emancipatiestreven was een bedreiging voor de nationale eenheid.  In hun visie eindigde de Gelijkheidswet niet met een tweetalig Vlaanderen maar streefde men naar ééntaligheid, wat door de meeste Franstaligen als een illegitieme en kwetsende eis werd gezien. 

Zonder de taalstrijd valt het streven naar culturele en later bestuurlijke autonomie voor Vlaanderen onmogelijk te verklaren

Afgezwakte versie

Het Franstalige verzet wierp vruchten af want de Senaat, bolwerk van conservatisme en belgicisme, keurde op 5 februari 1897 enkel een flink afgezwakt wetsvoorstel goed met 51 ja-stemmen, 23 tegen en 23 onthoudingen. De senatoren aanvaarden een amendement van gewezen minister van Justitie Jules Lejeune waardoor, bij twijfel of onenigheid, enkel de Franstalige wetteksten rechtsgeldig bleven; de Nederlandstalige behielden slechts de waarde van een officiële vertaling. Het wetsvoorstel ging daarop terug naar de Kamer die de afgezwakte versie van de Senaat evenwel verwierp en het oorspronkelijke wetsontwerp uiteindelijk na veel gepalaver en bekvechten op 18 april 1898 goedkeurde met 99 stemmen voor, 19 tegen, 4 onthoudingen waarna de Senaat zich op 15 april 1898 met een kleine meerderheid alsnog aansloot bij het ongewijzigde wetsvoorstel (47 stemmen voor, 39 tegen, 3 onthoudingen). Op 18 april 1898 werd de wet door koning Léopold II  ondertekend en bekrachtigd.

Nog heel lang wachten

De beoogde gelijkheid in rechte was met de Wet-Coremans-De Vriendt echter nog lang geen feit. Rechtsgeldige Nederlandstalige wetten kwamen er pas na de Tweede Wereldoorlog. Het zou nog tot 1967 duren vooraleer de Belgische Grondwet een officiële Nederlandstalige vertaling kreeg en de federale kieswetgeving werd pas in 1970 officieel vernederlandst. Allemaal historische feiten die voor de makers van ‘Het verhaal van Vlaanderen’ blijkbaar irrelevant waren.  Onbegrijpelijk, want zonder de taalstrijd valt het streven naar culturele en later bestuurlijke autonomie voor Vlaanderen onmogelijk te verklaren …

Foto’s (c) Gazet van Hove.