
door Stijn Derudder in ’t Pallieterke .
Personenbelasting, vennootschapsbelasting, onroerende voorheffing, roerende voorheffing, bedrijfsvoorheffing, btw, registratiebelasting, erfbelasting, accijnzen, verkeersbelastingen. Enzoverder en enzovoort. Overdrijft de overheid niet een beetje ?
Belastingen betalen wordt vaak afgeschilderd als een burgerplicht, maar belastingen zijn fundamenteel een schending van de individuele eigendomsrechten. In essentie zijn belastingen de gedwongen overdracht van eigendom van individuen naar de staat zonder uitdrukkelijke toestemming. Met andere woorden : diefstal. Hoe nobel de bedoelingen achter belastingen soms ook mogen lijken, de belastingheffing zelf blijft dwingend en ondermijnt de principes van vrijwillige ruil en individuele vrijheid.

Onvrijwillig
Het concept van belastingen als diefstal is geworteld in de natuurrechtelijke theorie van eigendom. Die theorie wordt verdedigd door denkers als Murray Rothbard. Ook al in de 19de eeuw sprak Frédéric Bastiat van “legale plundering” in zijn essay ‘La Loi’. Het belangrijkste basisprincipe is dat eigendom alleen mag worden overgedragen door een vrijwillige overeenkomst tussen de huidige eigenaar en de nieuwe.
Belastingen zijn van nature in strijd met dat principe. Belastingheffing is immers geen vrijwillig contract tussen de belastingbetaler en de overheid. In plaats daarvan is het een dwingende aanspraak op een deel van iemands bezit, afgedwongen door de dreiging van boetes en gevangenisstraffen. Dat dwingende aspect is vergelijkbaar met een dief die onder bedreiging van een pistool geld eist, want in beide scenario’s wordt gedreigd met geweld om te nemen wat rechtmatig aan iemand anders toebehoort.

Geen contract
Voorstanders van belastingen beweren vaak dat het nodig is om essentiële openbare diensten en sociale programma’s te financieren die de samenleving als geheel ten goede komen. Socialisten en communisten stellen bijvoorbeeld dat het belasten van de rijken en multinationals een middel is om ongelijkheid aan te pakken en de meest kwetsbaren in de samenleving te beschermen. Maar als je belastingen rechtvaardigt omdat je er nuttige programma’s mee financiert, zou je ook diefstal kunnen rechtvaardigen, op voorwaarde dat de gestolen goederen gebruikt worden voor liefdadigheidsdoeleinden. Die rechtvaardiging is echter fundamenteel onjuist, omdat ze voorbijgaat aan het belang van vrijwillige toestemming bij transacties.

Een andere veelgebruikte verdediging van belastingheffing is de notie van een ‘impliciet’ of ‘conceptueel’ sociaal contract tussen de overheid en de burgers. Volgens die opvatting stemmen burgers impliciet in met belastingheffing in ruil voor de voordelen van het leven in een maatschappij die geregeerd wordt door wetten en orde. Bij een heel klein beetje nader onderzoek valt dat argument echter snel in duigen. Een contract is pas geldig als alle betrokken partijen er expliciet mee instemmen. Het is ondenkbaar dat individuen vrijwillig zouden instemmen met een contract dat de staat toestaat om eenzijdig te bepalen en willekeurig te blijven herbepalen hoeveel van hun eigendom in beslag kan worden genomen zonder hun toestemming.

Slankere overheid
Vrijwilligheid herintroduceren in onze democratie zou welkom zijn. Mensen zouden gerust vrijwillig financieel bijdragen aan veel zaken, denk maar aan veiligheid en justitie, georganiseerd door een overheid die competent, rechtvaardig en betrouwbaar is. Maar aan wat allemaal en hoeveel juist, zou dus niet alleen mogen afhangen van politici die zo vaak beloftes breken. De overheid is moddervet en moet dringend afgeslankt worden. Op zijn minst zouden er dus geen nieuwe of hogere belastingen mogen komen. Een kleinere overheid is nodig, met minder en lagere belastingen, gebaseerd op een groot draagvlak.


foto’s (c) Gazet van Hove .

