door Angélique Vanderstraeten in ’t Pallieterke .

Het Belgische systeem van sociale zekerheid bestaat 80 jaar. Links en de vakbonden, maar ook de werkgevers zijn vol lof over dit systeem van sociale bescherming. Maar de sociale zekerheid is de voorbije decennia fel veranderd : sociale bijdragen van werkenden zijn onvoldoende om ze te financieren, het verzekeringsprincipe is afgebouwd en de Vlaams-Waalse kloof is onhoudbaar geworden.

Op 28 december 1944 werd de ‘Besluitwet betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders’ ondertekend. Op het moment dat in de Ardennen nog volop strijd werd geleverd tussen geallieerde en Duitse troepen, werd de basis gelegd voor de Belgische sociale zekerheid. Het systeem was ontwikkeld door Achiel Van Acker. Er bestonden voor WO II al systemen voor sociale bescherming in België, maar 80 jaar geleden werd de basis gelegd voor een stelsel dat mensen financieel beschermde tegen bepaalde ‘risico’s’ (werkloosheid, ziekte en ook leeftijd via het pensioen), waarbij werkenden op basis van bijdragen op hun loon rechten opbouwden voor het geval ze met het risico werden geconfronteerd. Wie zijn baan verloor, kon terugvallen op een vangnet. Het systeem was gebaseerd op een evenwicht tussen solidariteit en het verzekeringsprincipe. Werkenden bouwden voor zichzelf sociale rechten op, maar waren ook solidair met wie het moeilijk had.

Systeem onder druk

Tot in de jaren 1970 werkte het systeem als een goed geoliede machine, wat mee te danken was aan de industrialisering van grote delen van Vlaanderen door de komst van buitenlandse multinationals. De vele jobs die toen gecreëerd werden, financierden de sociale zekerheid via sociale bijdragen. Maar daarna volgden er verschillende zware economische schokken : de oliecrisissen, de globalisering die bedrijven deed wegtrekken naar goedkopere productielanden, de welvaartskloof tussen Vlaanderen en Wallonië die uitdiepte, periodes van werkloosheid in de jaren 1970 en 1980 die maken dat we vandaag met 73 procent werkzaamheidsgraad nog onder het Europees gemiddelde blijven en ver van de 80 procent doelstelling, de toenemende kost van de vergrijzing nu de babyboomers (geboren tussen 1945 en 1965) massaal met pensioen aan het gaan zijn,…

En het is daarom inderdaad een hele prestatie dat de sociale zekerheid anno 2025 nog bestaat. Naar aanleiding van de 80ste verjaardag eind vorig jarig, staken de socialisten, maar ook de vakbonden en zelfs de werkgevers daarvoor een pluim op hun hoed. Akkoord, de werkloosheidsuitkeringen worden betaald, net als de pensioenen en de ziekte-uitkeringen.

14 miljard tekort

Tussen de feestelijke reacties van socialisten en vakbonden in, gaven de werkgevers ook een waarschuwing mee bij monde van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) : de sociale zekerheid staat er anno 2025 niet zo goed voor. In 2024 bedroeg het socialezekerheidstekort voor de werknemersregeling zo’n 6,2 miljard euro, een situatie die zal verergeren tot een tekort van meer dan 7,6 miljard euro in 2025. “Zonder aanpassingen zou dat onevenwicht in 2029 een piek kunnen bereiken van meer dan 14 miljard euro, waardoor de duurzaamheid van het systeem in gevaar komt”, aldus het VBO.

De sociale zekerheid mag dan wel 80 jaar oud zijn en nog functioneren, ze is enorm duur. Dat komt omdat het systeem niet meer aangepast is aan de moderne tijd. Uiteraard is het gemakkelijk te zeggen dat men de werkzaamheidsgraad moet optrekken – richting de al vermelde 80 procent – om op die manier de financiering op orde te krijgen. Maar dat is een al te gemakkelijke conclusie. De problemen zijn breder.

Dat de sociale zekerheid zo diep in het rood gaat en niet meer te vergelijken is met het stelsel dat in 1944 boven de doopvont werd gehouden, heeft te maken met drie mankementen waar dringend iets aan gedaan moet worden.

Werknemer krijgt weinig waar voor zijn geld

Ten eerste is het solidariteitsprincipe doorgeslagen en is er weinig aandacht voor het verzekeringsprincipe. Wie amper rechten heeft opgebouwd – zoals migranten – kan desondanks tamelijk snel rekenen op tal van uitkeringen en tegemoetkomingen. Anderzijds betalen de werkenden hoge sociale bijdragen en belastingen, maar krijgen ze er weinig voor terug. Het gemiddelde brutopensioen van een werknemer (1.600 euro) en van een zelfstandige (1.150 euro per maand) is volgens experts relatief laag ten opzichte van de bijdragen die men op het loon betaalt. Dat komt omdat men vanaf een bovengemiddeld loon sociale bijdragen blijft ophoesten, maar daar geen extra rechten voor bijvoorbeeld een hoger pensioen mee opbouwt. Er is dus nood aan een beter evenwicht tussen solidariteit met de zwakkeren en verzekerde rechten voor werknemers.

Tegelijk moet men zich vragen stellen bij de financiering in het algemeen. De sociale zekerheid wordt nog maar voor 60 procent gefinancierd met sociale bijdragen. De rest komt van de gewone begroting met belastinginkomsten die eigenlijk voor andere taken (veiligheid, justitie) bestemd moeten zijn. Ook dat is niet houdbaar. Een debat over een andere financiering van de sociale zekerheid wordt nergens gevoerd.

Waar we de laatste tijd amper nog iets van horen, zijn de verschillen tussen Vlaanderen, Brussel en Wallonië. Het is niet omdat men erover zwijgt, dat er geen miljardentransfers zijn van noord naar zuid, vooral in de sociale zekerheid : een onevenwicht dat gegroeid is door te veel uitgaven in de Waalse ziekteverzekering en een gebrek aan responsabilisering bij de ziekenhuizen aldaar. En een gevolg van de minderinkomsten die Brussel en Wallonië voor de sociale zekerheid genereren. Die regionale onevenwichten blijven te groot, zijn onhoudbaar en zetten de legitimiteit van de sociale zekerheid constant onder druk.

foto’s (c) Gazet van Hove .