
De eerste ‘secessio plebis’ omstreeks 494 voor Christus
Geschiedenis
door Jan Huijbrechts in ’t Pallieterke .
De volgende dagen, weken en wellicht ook maanden zullen voor een groot deel in het teken staan van sociale onrust met betogingen en stakingen tegen de plannen van de regering-De Wever. Het zal u misschien verwonderen, maar stakingen zijn van alle tijden.
De oudste gedocumenteerde staking in de geschiedenis vond plaats tijdens de bouw van de piramiden van Cheops, ergens tussen 2551 en 2472 voor onze jaartelling. Toen de arbeiders op deze gigantische bouwwerf merkten dat hun rantsoenen steeds minder look – de lokale smaakmaker bij uitstek – bevatten, legden ze spontaan het werk neer. Duizend jaar later gingen hun afstammelingen die een paar monumenten aan het optrekken waren voor Farao Ramses III in de Vallei der Koningen in staking nadat er ernstige vertragingen waren opgetreden in de voedselbevoorrading. Ze namen hun hamers en beitels pas opnieuw ter hand nadat deze problemen definitief waren opgelost.
“Het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant werden in de middeleeuwen koplopers in sociale agitatie die in sommige gevallen zelfs tot regelrechte opstanden leidde”
In het Oude Rome bestond de ‘secessio plebis’, een vorm van informele machtsuitoefening door de plebejische burgers – de gewone burgers, vaak boeren en handwerklieden, die grond bezaten – in hun conflicten met de patriciërs, de heersende klasse. De plebejers legden daarbij het werk neer en verlieten massaal met hun gezinnen de stad; een tactiek die de van het plebs afhankelijke patriciërs in moeilijke papieren bracht en die voor het eerst vruchten afwierp in 495 voor onze jaartelling. Ze gebruikten toen het stakingswapen tegen de strenge aristocratische staatsman Appius Claudius Sabinus Irregillensis en het in hun ogen onrechtvaardoge schuldrecht. Pas nadat hun schulden waren kwijtgescholden en de patriciërs een deel van hun macht hadden afgestaan aan een volkstribuun die het plebs vertegenwoordigde, keerden de plebejers terug naar de Eeuwige Stad en togen ze opnieuw aan het werk. De ‘secessio plebis’ – die ook in 449 en 287 voor onze jaartelling met succes werd ingezet – bleek een machtig wapen voor de plebejers om meer rechten en wetten ten gunste van het volk af te dwingen.

Tijdens de turbulente middeleeuwen werd heel Europa het toneel van geregeld weerkerende sociaaleconomische spanningen waarbij het graafschap Vlaanderen en het hertogdom Brabant koplopers werden in sociale agitatie die in sommige gevallen zelfs tot regelrechte opstanden leidde. Tot het einde van de veertiende eeuw, wanneer de Vlaamse graven en Brabantse hertogen privileges gaven aan hun steden, begonnen zich ook de politiek-maatschappelijke tegenstellingen te manifesteren. De grote concentratie van mensen, macht en kapitaal zorgde voor vaak hoogoplopende spanningen. In combinatie met een groeiend politiek bewustzijn creëerden voornoemde factoren een quasi revolutionaire traditie in de Vlaamse en Brabantse steden. Stakingen werden daarbij een geducht wapen.
Eerste stakingen
Vanaf 1240 komen we, vooral in de grote steden, de eerste stakingen tegen. Arbeiders en vooral dan de spinners, vollers, wevers en ververs gingen ‘bussen’ oprichten, een soort van solidariteitskassen die in eerste instantie dienen om de nabestaanden van overleden makkers bij te staan. De overheid verbood ze, want men vreesde dat die ‘bussen’ ook gebruikt zouden kunnen worden als stakerskas. Die vrees was trouwens terecht, want na 1302 kregen de gilden en ambachten niet alleen meer autonomie, maar ook politieke macht. Ze dienden petities of klachtenbrieven in bij de overheid of ze hielden demonstraties. Vaak werden die acties gevolgd door stakingen of ‘takehans’ waarbij rechtstreeks de confrontatie werd aangegaan met ‘the powers that be’. Wanneer het werk werd neergelegd, sprak men van een ‘ledichganck’. Soms hielden ze een ‘uutganck’, wat je zou kunnen vertalen als een uittocht. Dan trokken ze – zoals ooit de Romeinse plebejers tijdens de ‘secessio plebis’ deden – gewoon massaal naar een andere stad. De voor anarchie en chaos beduchte steden hadden daarom in die periode onderlinge afspraken gemaakt om andermans arbeiders niet toe te laten.

“Stakingen werden in onze contreien compleet aan banden gelegd door Napoleon Bonaparte, die een bloedhekel had aan sociale onrust”
Ook tijdens het ancien regime bleef het stakingswapen in voege. Het bekendste voorbeeld waren de werkstakingen die in het voorjaar van 1717 uitbraken in Gent, Antwerpen, Mechelen en Brussel tegen de nieuwe en torenhoge belastingen die de bewindvoerders in Wenen aan onze gewesten hadden opgelegd. In Brussel deden de dekens van de naties en gilden een beroep op de oude stedelijke privileges om deze belastingen resoluut van de hand te wijzen. Toen deze stakingsgolf dreigde om te slaan in een heuse opstand, werd de stad door de keizerlijke troepen bezet en volgde een harde repressie. Dat kon niet beletten dat twee jaar later in Brussel opnieuw werd gestaakt en dat het tot opstootjes kwam. Om de onrust in te dijken, verdwenen vijf dekens van de Brusselse ambachten voor een half jaar achter de tralies en een van hen, de 60-jarige gildedeken Frans Anneessens, werd omwille van zijn leidende rol in het oproer op 19 september 1719 op de Grote Markt onthoofd.

Bloedige confrontaties
Stakingen werden in onze contreien compleet aan banden gelegd door Napoleon Bonaparte die een bloedhekel had aan sociale onrust. Kort na de Franse Revolutie, op 14 juni 1791 om precies te zijn, werd in Frankrijk de wet-Le Chapelier aangenomen die niet alleen de gilden en andere vakorganisaties had opgeheven, maar ook de oprichting van vakbonden of de organisatie van stakingen verbood. Na de Franse bezetting van onze gewesten werd deze wet, die intussen onverkort in de Code Napoléon was opgenomen, ook hier van kracht.
In de prille Belgische staat werd de wet-Le Chapelier door velen – terecht – beschouwd als een inbreuk op het grondwettelijk recht op vereniging. Deze omstreden wet werd op 25 mei 1867 afgeschaft. Dat betekende echter niet dat stakingen zomaar getolereerd werden, want artikel 310 van het strafwetboek, dat de wet-Le Chapelier verving, stelde stakingen strafbaar. Dat belette niet dat er in ons land een eerste – kleinere – stakingsgolf volgde tussen 1868 en 1880, die vaak met harde hand door rijkswacht, leger en burgerwachten werd bestreden. Het waren bloedige confrontaties, waarbij geregeld doden vielen.

Met de oprichting van de sociaaldemocratische Belgische Werkliedenpartij in 1885 werd de feitelijke start gegeven van de georganiseerde arbeidersbeweging in ons land. Dat zette ongetwijfeld druk op de ketel, maar bezorgde de arbeiders niet onmiddellijk een verbetering van hun werkomstandigheden en hun loon, die bij de slechtste in Europa waren.
Er werd door de vakbonden in de volgende decennia dan ook steeds meer naar het wapen van grootschalige of algemene stakingen gegrepen die onlosmakelijk een bijzondere plaats in de sociale geschiedenis van ons land bekleden : in 1886, 1893, 1902, 1913, 1936, 1941, 1950, 1960-61 en 1993 legden grote groepen werknemers tegelijk het werk neer. Deze algemene stakingen leidden vaak, maar evenwel niet altijd, tot sociale verandering.



