NIEUWS – door Bart Maddens – www.doorbraak.be
Vooral in de Franstalige media maakt sinds enige tijd de ‘altijd prijs’-theorie opgang. Bart De Wever wint altijd, zegt men. Als Arizona een succes wordt en daadkrachtig hervormt, dan kan De Wever in 2029 een kanseliersbonus opstrijken. Als Arizona mislukt en we verzeilen in een crisis, dan kan De Wever zeggen : zie je wel, we hadden altijd al gelijk, België werkt niet. Dat zou dan een communautaire bonus moeten opleveren voor de N-VA.
Tussen de regels door lees je dan meestal ook dat dit tweede scenario de N-VA het meest welgevallig zou zijn. De Wever zou met andere woorden aansturen op een regeringscrisis, door te treuzelen en te weinig proactief aan een compromis te werken.

Altijd Prijs
‘Altijd prijs’ is nu net wat het Belgische premierschap zeker niet is. Het is eerder ‘nooit prijs’. Over alle naoorlogse Kamerverkiezingen heen verliest de partij van de premier gemiddeld 2,5 procentpunten. Uitgedrukt in procenten ten opzichte van het electoraat van de partij gaat het om -8,3%. Als we dit doortrekken naar 2029, dan komt de N-VA uit op 23,5%.
‘Altijd prijs’ is nu net wat het Belgische premierschap zeker niet is.
Zeker, er zijn uitzonderingen. De N-VA put vooral hoop uit de verkiezingen van 1985, toen Wilfried Martens na een hard en schijnbaar weinig populair saneringsbeleid toch de verkiezingen won. Dat klopt, maar een echt spectaculaire overwinning was dat niet. De CVP won toen 2,6 procentpunten en bleef op een historisch laag niveau. Tien jaar later was de ‘overwinning’ van premier Jean-Luc Dehaene nog veel bescheidener. Hij voegde in 1995 amper 0,4 procentpunten toe aan de score van zijn partij, eigenlijk meer een status quo dan een stijging.

Kanseliersbonus of -malus
De meest recente kanseliersbonus was die van Guy Verhofstadt in 2003. Maar ook daar is de werkelijkheid toch iets prozaïscher dan de mythe. Het ging om een stijging van 1,7 procentpunten voor de VLD. In feite was de paarse triomf toen vooral te danken aan Steve Stevaert, met een stijging van 8,4 procentpunten voor SP.a-Spirit.
Van de 22 Kamerverkiezingen vanaf 1950 waren er zes met een kanseliersbonus en zestien met een malus. Maar de malus is gemiddeld beduidend groter dan de bonus : -4,5 tegenover +2,5 procentpunten. De put waarin de premier normaal gezien valt is statistisch gezien dus dieper dan de hoogte van de top die hij uitzonderlijk kan bereiken.

De Arizona-prijs
Of de prijs die de N-VA aan de eindmeet kan winnen met Arizona zo groot zal zijn is dus twijfelachtig. Al acht ik Bart De Wever er wel toe in staat om de historische wetmatigheden van de Belgische politiek een neus te zetten door met een super-presidentiële campagne in 2029 toch een indrukwekkend resultaat neer te zetten. Op voorwaarde natuurlijk dat Arizona een daadkrachtig hervormingsbeleid blijft voeren.
Eerlijk gezegd zou ik mijn geld dan nog eerder op die Arizona-prijs inzetten dan op die andere prijs, die de N-VA zou krijgen na een val van de regering. Een regeringscrisis leidt altijd tot een verlies voor de partij van de premier, met vaak dramatische cijfers. De hoofdvogel hier werd afgeschoten door Mark Eyskens in de herfst van 1981 (‘de bladeren vallen van de bomen en de regering is ook gevallen’). Resultaat : min 11,5 procentpunten voor de CVP. De partij verloor ruim een vierde van haar electoraat. Het was het einde van de CVP-staat.

‘De Wever kan het niet’
De mislukking van een regering wordt onvermijdelijk in de eerste plaats de partij van de premier aangerekend. ‘De Wever kan het niet’ zou dan natuurlijk het dominante beeld zijn in de media. Om dat te veranderen in ‘zie je wel, De Wever had altijd gelijk, het Belgische systeem werkt niet’, zou een bijna bovenmenselijke communicatie-inspanning vergen.
Het zou ook niet zo evident zijn om een regeringscrisis communautair te framen. Mocht het nu nog de PS zijn die in de regering de hervormingen blokkeert. Maar het verzet van Vooruit tegen de door De Wever voorgestelde indexsprong, of het verzet van de N-VA tegen de door Vooruit voorgestelde miljonairstaks kunnen onmogelijk als een Vlaams-Waals conflict worden geduid. Hoe je hieruit een argument voor confederalisme zou kunnen puren, zie ik niet meteen.

Vier jaar van nieuw Vivaldi-geklungel zou de herinnering aan De Wevers mislukking allicht uitwissen tegen 2029.
In feite zou de N-VA moeten hopen dat er na een val van de regering-De Wever niet meteen vervroegde verkiezingen komen maar wel een Vivaldi-achtige coalitie, zonder de N-VA en zonder Vlaamse meerderheid. Vier jaar van nieuw Vivaldi-geklungel zou de herinnering aan De Wevers mislukking allicht uitwissen tegen 2029. Als de PS dan overtuigend wint in Wallonië en de N-VA in Vlaanderen, kan er communautair een en ander in beweging komen.
Maar dat zijn natuurlijk veel als-en op een rij. Met andere woorden, veel vogels in de lucht. Dan toch beter één daarvan nu meteen in de klauwen van Maximus, zou ik denken.


Bart Maddens (1963) is germanist en politieke wetenschapper. Als student was hij actief in het KVHV van Leuven en in de Volksunie-Jongeren. In de jaren 1990 was hij lid en bestuurder van het IJzerbedevaartcomité. Vandaag publiceert hij regelmatig opiniestukken over de Vlaamse Beweging en de staatshervorming. Hij is auteur van onder meer ‘Omfloerst separatisme. Van de vijf resoluties tot de Maddens-strategie’.
foto’s (c) Gazet van Hove .

