door Jan Huijbrechts in ’t Pallieterke .
Precies een eeuw geleden stierf aartsbisschop en kardinaal Désiré Joseph Mercier. In een tijd dat de Kerk nog omnipresent was in ons land, was hij ontegensprekelijk het boegbeeld van dit instituut. Hij was een man met vele gezichten : een scherpzinnige intellectueel die over een groot moreel gezag beschikte, maar ook een erg eigenzinnige man behept met een vleugje ijdelheid die op handen gedragen door de belgicisten, maar vervloekt door de Vlaams-nationalisten, de controverse niet schuwde.

De verhouding tussen de Kerk en de Vlaamse Beweging is decennialang niet je dát geweest. Het Belgische episcopaat zag in het laatste kwart van de 19de eeuw met bezorgdheid hoe de Belgische politiek verdeeld raakte door de taalstrijd en het toenemende Vlaams en Waals subnationaal bewustzijn. En dat leidde onvermijdelijk tot wrijvingen en spanningen. Naarmate de Vlaamse Beweging groeide en dus aan betekenis won, nam de aanvankelijke neutraliteit van de hoogste kerkelijke organen met betrekking tot de Vlaamse Beweging af. Met argusogen keken ze toe op de ‘petits vicaires’ – de lagere geestelijken die zich tot het flamingantisme bekenden – en hoe de Vlaamse en katholiele scholieren- en studentenbeweging voor een radicalisering van die beweging zorgde. Zeker toen de Vlaamsgezinden meer en meer de focus verlegden van een cultureel ontvoogdende naar een zuiver politieke agenda, vreesden de bisschoppen dat dit wel eens tot een breuk in de katholieke partij zou kunnen leiden.

Het Vlaamse vraagstuk
Kardinaal Mercier zou een erg belangrijke rol gaan spelen in de positionering van de Kerk met betrekking tot het Vlaamse vraagstuk. Hij werd op 21 november 1851 geboren in het Franstalige Eigenbrakel, waar zijn grootvader 30 jaar lang de katholieke burgemeester was geweest. Zijn middelbare studies volgde hij aan het Sint-Romboutscollege in Mechelen. Op 4 april 1874 werd hij tot priester gewijd. Hij gaf eerst les in het Grootseminarie van Mechelen en daarna werd hij hoogleraar in de thomistische wijsbegeerte aan de Katholieke Universiteit Leuven waar hij met pauselijke steun het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte oprichtte. Op 7 februari 1906 werd hij tot aartsbisschop van Mechelen benoemd, een jaar later werd hij kardinaal.

“Hij verzette zich jarenlang tegen de Vlaamse minimumeisen”
Kardinaal Petrus Goossens, de voorganger van Mercier, had vaak – té vaak volgens velen – tezelfdertijd warm en koud geblazen als het over de Vlaamse Beweging ging. Zo trad hij hard en repressief op tegen de, in zijn ogen rebelse, scholierenbonden, maar tegelijkertijd opende hij – weliswaar voorzichtig – de weg naar een gedeeltelijke vernederlandsing van het grotendeels op Franstalige leest geschoeide onderwijs in Vlaanderen. Dit was echter onvoldoende voor de Vlaamsgezinden die teleurgesteld door de weifelende kardinaal via parlementaire weg, door middel van de wetsvoorstellen van de Antwerpse katholieke volksvertegenwoordiger Edward Coremans probeerden het onderwijs te vernederlandsen. Nadat Goossens was overleden, stelden de katholieke flaminganten hun hoop op Mercier opdat hij verdere stappen zou zetten in het dossier voor een wettelijke taalregeling in het onderwijs, die opnieuw was ingezet met de indiening van het wetsvoorstel-Coremans in 1901.
Ze kwamen bedrogen uit. Mercier wilde resoluut het initiatief naar zich toetrekken en door het uitwerken van bisschoppelijke maatregelen alsnog een wettelijke regeling voorkomen. Hij slaagde niet in dat opzet. Kort na zijn aanstelling verstuurde hij zijn berucht geworden ‘Instructions aux directeurs et aux professeurs des colleges libres d’humanités’. Die deden weliswaar een oproep tot eerbied voor het Nederlands in het onderwijs en hielden een lichte verbetering in voor het taalgebruik in de bisschoppelijke colleges.

Les Instructions
Maar ze hielden ook vast aan het principe van tweetaligheid in het middelbaar onderwijs en sloten het gebruik van het Nederlands als voertaal op universitair niveau radicaal uit. De in deze ‘Instructions’ verwoorde overtuiging dat het Nederlands nooit een volwaardige cultuurtaal kon zijn, werd in Vlaamsgezinde rangen op ontgoocheling en vooral heel veel verontwaardiging onthaald. Het kwam nooit meer goed tussen de kardinaal en de katholieke Vlaamsgezinden. Het werd meteen duidelijk dat Mercier zich – meer nog dan alle Belgische kerkvorsten die hem waren voorgegaan – actief inliet met de politiek. Hij identificeerde de belangen van de katholieken in België met de door de Franstalige bourgeoisie gedomineerde katholieke partij die hem de beste waarborg leek voor de vrijheid van de Kerk en een afweermiddel tegen antireligieuze stromingen zoals het liberalisme en het marxisme.
“Katholieke flaminganten stelden hun hoop op Mercier, maar kwamen bedrogen uit”
Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontpopte de kardinaal zich tot een vurige belgicist die internationale bekendheid verwierf omwille van zijn verzet tegen de Duitse bezettingsautoriteiten. Het begon al in de kerstweek van 1914 toen hij – zonder toestemming van de bezetter – van de kansels zijn herderlijke brief ‘Patriotisme et Endurance’ deed aflezen. Zijn onverzettelijke houding deed hem niet alleen botsen met freiherr von Bissing, de Duitse gouverneur-generaal, maar ook met de paus die heel de oorlog een strikte neutraliteitspolitiek voorstond. De weerbarstige kardinaal week echter geen duimbreed voor de druk die op hem werd uitgeoefend.
Zijn patriottische standpunten beïnvloeden zijn kijk op de Vlaamse kwestie. Zijn compromisloze verdediging van het unitaire België botste op felle kritiek van activisten én de Frontbeweging. Hij zag in de ‘Flamenpolitik’ van de bezetter een verdeel-en-heerstactiek en veroordeelde dan ook in niet mis te verstane bewoordingen het feit dat radicale Vlaamsgezinden hun rechten zoals de vernederlandsing van het hoger onderwijs of betere taaltoestanden in het leger probeerden op te eisen. Dit zorgde voor veel wrevel. Een van de scherpste aanklachten kwam van de door en door katholieke activist August Borms die het ‘tsarisme van het bisdom Mechelen’ zwaar op de korrel nam.
Na de oorlog verzette hij zich heel lang tegen het minimumprogramma met Vlaamse eisen dat door Frans Van Cauwelaert en de Vlaamsgezinde vleugel van de katholieke partij werd uitgedragen. Het bracht hem in conflict met de Vlaamse bisschoppen Rutten, Seghers en Waffelaert die Van Cauwelaert steunden. Maar hij richtte vooral zijn pijlen op het Vlaams-nationalisme dat hij levensbedreigend voor het unitaire België achtte. Zo verbood hij onder meer de clerus om het frontersdagblad ‘Ons Vaderland’ te lezen.
Hij wist alle bisschoppen terug op één lijn te krijgen tegen het Vlaams-nationalisme naar aanleiding van de confrontaties in de periode 1923-1925 tussen het Katholiek Vlaamsch Hoogstudentenverebond (KVHV) en de academische overheid in Leuven. Pas in zijn laatste levensmaanden milderde hij, wellicht geholpen door voortschrijdend inzicht, zijn starre houding en aanvaardde hij het minimumprogramma van Van Cauwelaert.


