NIEUWS – door Jan Fabry – www.doorbraak.be
Rond de Belgische feestdag verheft de koning ook enkele verdienstelijke Belgen in de adelstand. Maar wat betekent dat ?
Psychiater Dirk De Wachter, ondernemer Wouter Torfs en klimaatexpert Jos Delbeke mogen zich voortaan baron noemen. Kinderneuroloog Marie-Cécile Nassogne wordt barones. In totaal verheft koning Filip negen Belgen in de adelstand. Maar wat verandert zo’n titel eigenlijk ? ‘U krijgt niet eens gratis parking bij het Koninklijk Paleis’, zegt barones Mia Doornaert.
België is samen met het Verenigd Koninkrijk en Spanje een van de weinige Europese landen die nog nieuwe adellijke titels toekennen. In Nederland is dat sinds 1953 afgeschat, ja zelfs wettelijk verboden. Bij ons gebeurt dat jaarlijks rond de Belgische nationale feestdag. De titels zijn een erkenning voor bijzondere verdiensten, maar leveren geen voorrechten op. Dat staat uitdrukkelijk in artikel 113 van de Grondwet.
‘Aan uw leven verandert op zich niets’, zegt Mia Doornaert. De voormalige journaliste werd in 2003 barones. Toch raakte de erkenning haar sterk. ‘Ik was de eerste nog actieve journaliste die in de adelstand werd verheven. Voor mij was Maria Rosseels er geweest, maar zij was ook bekend als schrijfster en romancier. Bij mij ging het uitdrukkelijk om mijn journalistieke werk en mijn internationale inzet voor gewetens- en persvrijheid.’
Niet alleen de persoon wordt in de kijker gezet, maar ook datgene waarvoor hij heeft gewerkt
Ook baron Marc Bossuyt, voormalig voorzitter van het Grondwettelijk Hof, noemt zijn titel vooral een erkenning. Hij werd in 2010 geadeld wegens een combinatie van zijn werk als hoogleraar, Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voorzitter van het Grondwettelijk Hof en expert binnen mensenrechtenorganen van de Verenigde Naties. ‘Niet alleen de persoon wordt in de kijker gezet, maar ook datgene waarvoor hij heeft gewerkt’, zegt Bossuyt.

Discrete procedure
Wie een titel ambieert, kan zichzelf kandidaat stellen, al gebeurt dat volgens Bossuyt doorgaans op voorspraak van iemand anders. Verzoekschriften worden gericht aan de koning of de minister van Buitenlandse Zaken. De Consultatieve Commissie voor adellijke gunsten beoordeelt de dossiers en houdt daarbij vooral rekening met bijzondere verdiensten voor het land.
Wie geselecteerd wordt, krijgt dat enkele maanden voor de bekendmaking te horen. ‘De kabinetschef van de koning neemt contact op en polst of u de titel aanvaardt’, vertelt Bossuyt. ‘Niemand is verplicht dat te doen.’
Niemand is verplicht de titel te aanvaarden

Het koninklijk besluit is slechts de eerste stap. Daarna moet de begunstigde een wapenschild en eventueel een wapenspreuk kiezen. De Raad van Adel moet die goedkeuren. Vervolgens wordt een rijkelijk versierde adelbrief vervaardigd. Pas wanneer de koning die open brief heeft ondertekend en het document officieel is geregistreerd, wordt de adellijke gunst van kracht.
Aan dat hele traject hangt ook een prijskaartje. De registratie- en kanselarijrechten bedragen minstens 751,20 euro. Daarbovenop komt de vergoeding voor de kunstenaar die de adelbrief en het wapenschild ontwerpt. ‘Dat kost makkelijk 3.000 euro’, zegt Bossuyt. Zijn eigen wapenspreuk luidt Fortiter in re, vrij vertaald: krachtig in de zaak. Hij had de volledige spreuk Fortiter in re, suaviter in modo willen gebruiken – krachtig in de zaak, zacht in de manier – maar die was al door iemand anders gekozen. Doornaert koos een spreuk die aansluit bij haar journalistieke loopbaan : Calamus ense superior, de pen is machtiger dan het zwaard.

Vooral voor het protocol
Zowel Bossuyt als Doornaert gebruikt de titel zelden in het dagelijkse leven. Bossuyt zet hem niet bij wetenschappelijke publicaties, Doornaert ondertekent er geen gewone e-mails mee.
‘Maar waar ik weet dat de titel belang heeft, gebruik ik hem wel’, zegt ze. Dat merkte ze ooit na een diner op de ambassade van Saudi-Arabië. Achteraf ontving ze een brief met excuses : de ambassade wist niet dat ze barones was en vreesde daarom niet het juiste protocol te hebben gevolgd. ‘In de Arabische wereld telt dat protocol nog sterk.’
Ook binnen de Vereniging van de Adel van het Koninkrijk België worden de titels wel gebruikt. Doornaert aarzelde aanvankelijk om zich daarbij aan te sluiten. ‘Ik vroeg mij af wat ik daar zou gaan doen tussen mensen die hun voorouders vijf- of zeshonderd jaar terug kunnen traceren.’
De voorzitter en ondervoorzitter overtuigden haar. Volgens hen was het belangrijk dat ook nieuwe en Nederlandstalige adel bij de vereniging betrokken raakte. ‘Niemand is als graaf of hertog geboren. Ooit heeft iemand die titel gekregen voor een bepaalde verdienste’, zegt Doornaert.

Erfelijkheid verdwijnt
Adeldom en titel zijn niet noodzakelijk hetzelfde. Wie tot de adel behoort, draagt niet altijd een titel als baron of graaf. Ook de erfelijkheid verschilt. Bij Bossuyt is de adeldom overdraagbaar in mannelijke lijn, maar zijn titel van baron niet. Bij recente benoemingen zijn zowel de titel als de adeldom doorgaans persoonlijk.
Bossuyt betreurt die evolutie. ‘Erfelijkheid is volgens mij een wezenskenmerk van adel.’ Hij wijst ook op het historische Franstalige overwicht binnen de Belgische adel. Nieuwe titels worden taalparitair toegekend, maar als die niet erfelijk zijn, veranderen ze op langere termijn weinig aan dat onevenwicht.
Doornaert ziet in de ‘noblesse oblige’ een tegengewicht voor de verruwing van de samenleving
Doornaert verdedigt de adel vanuit een andere hoek. Ze ergert zich aan de halfspottende toon waarmee vooral de Vlaamse pers het onderwerp soms benadert. ‘De adel kan een anachronisme lijken, maar het is niet omdat iets uit het verleden stamt dat het geen waarde meer heeft.’

Voor haar staat het instituut ook voor beminnelijkheid, voorkomendheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid : noblesse oblige. Ze ziet daarin een tegengewicht voor wat zij de verruwing van de samenleving noemt. Tegelijk waarschuwt ze voor een te ruime toekenning. Wie te jong wordt geadeld, kan later nog in opspraak komen.
De negen nieuwe baronnen en baronessen krijgen dus geen macht, landgoed of parkeerplaats bij het paleis. Wel een officiële erkenning, een wapenschild en een rekening van enkele duizenden euro’s. Een anachronisme misschien, maar voor Bossuyt en Doornaert allerminst een betekenisloos exemplaar.

Jan Fabry (°1991) is journalist bij Doorbraak en doctor in de Nederlandse filologie. Hij woonde en werkte in België, Frankrijk, Polen en Tsjechië als leerkracht en onderzoeker. Zijn interesses situeren zich op het snijvlak van politiek, taal, geschiedenis en identiteit, met een bijzondere aandacht voor Vlaanderen en de Lage Landen.
foto’s (c) VRT Canvas 2026.

