Of : de perfide rol van de media en de elite

door Julien Borremans in ’t Pallieterke .

Le Soir en RTBF zorgden deze week met hun onderzoek ‘Noir Jaune Blues’ voor enige ophef. Liefst 69 procent van de ondervraagden kiest voor een leider die eens orde op zaken stelt, zonder dat die leider aan het parlement of bij verkiezingen per se verantwoording moet afleggen. 71 procent van de respondenten wil af van de politieke, financieel-economische elite en – belangrijk – ook van de elite in de media omdat ze tegen de belangen van de gewone mensen ingaan.

Enkele kranten schrijven een commentaar. In De Standaard probeert men dat onderzoek uit te vlakken door te stellen dat er in dit land altijd wel wat onrust en wantrouwen is geweest. De keuze voor een sterke leider wijst eerder “op een vlucht voor de eigen besluiteloosheid en machteloosheid”. Daarmee is dat probleem ook weer van de baan.

In De Tijd schrijft een opiniemaker dat de fors toegenomen “subculturele tegenstellingen” een bom onder België vormen. Er is dringend nood aan “een nieuw sociaal contract” of “een nieuw pacificatiemodel” wil men in 2030 het 200-jarig bestaan van België vieren.

Het ‘Weimar-moment’

In ‘De Stemming’ – een onderzoek van De Standaard en de VRT – bleek vorig jaar al dat “de democratie in gevaar” was. Uit dit onderzoek blijkt trouwens ook dat de Vlaming vragende partij is om een stuk strenger te zijn voor het toelaten van migranten. Deze tendens is zelfs bij het electoraat van Vooruit en cd&v terug te vinden.

Vlaming wil strenger beleid tegenover migranten

Dat de roep naar een sterke leider nu juist in Franstalig België wordt gedetecteerd, is geen verrassing. In het parlement heerst een maffiasfeer. De werking van de instellingen sputtert. De budgettaire situatie is dramatisch, terwijl Brussel en Wallonië heel lage tewerkstellingscijfers hebben. Het besef groeit zienderogen dat de redding niet meer van het armlastig federaal niveau zal komen. De wurgende financieringswet ontneemt ieder perspectief. De Vivaldi-partijen dansen om de hete brij heen en geven de PTB/PVDA en het Vlaams Belang de schuld.

Ondanks de geveinsde objectiviteit, is de pers weinig kritisch ten overstaan van het gevoerde beleid

Om het naderende onheil te benoemen, wordt gebruik gemaakt van het ‘Weimar-moment’. Dit wordt niet alleen in de betekenis van Bart De Wever gebruikt om een mogelijk kantelmoment in de Belgische politiek weer te geven, maar ook om het horrorscenario in beeld te brengen waarbij extreemrechts – met hulp van de N-VA – de macht in Vlaanderen grijpt en de Belgische democratie radicaal in de verdediging drukt.

Ondanks de geveinsde objectiviteit, is de pers weinig kritisch ten overstaan van het gevoerde beleid en vormt de ondertoon steeds weer dat de oplossing niet bij de ‘extremistische’ partijen moet worden gezocht. Om de eenzijdigheid van het debat te camoufleren, mogen Bart De Wever of Mia Doornaert af en toe eens langskomen. De tendens is dat de oplagen van de kranten en de kijkcijfers van de zogenaamde duidingsprogramma’s dalen en de alternatieve, sociale media aan belang winnen, waar het debat veel vrijer is en op de snee wordt gevoerd. De politieke en de financieel-economische elite en de media omschrijven dit proces als ‘verzuring’ en ‘polariserend’.

Ruud Koopmans getuigt

Maar wat niet mag worden onderschat, is de perfide rol die de intellectuele en de academische elite speelt. Maarten Boudry bevestigde vorig jaar in een interview deze tendens in dit blad. Maar Ruud Koopmans – hoogleraar sociologie en migratie aan de Berlijnse Humboldtuniversiteit en onderzoeksdirecteur aan het ‘Wissenschaftzentrum’ – duwde onlangs de vinger pijnlijk diep in de etterende wonde. Zo getuigde hij dat hij een tijd geleden werd uitgenodigd om een lezing te geven aan een gerenommeerde universiteit. Alleen het onderwerp ‘De crisis in de islamitische wereld’ paste niet in de diversiteitsagenda van de universiteit. Er werd aangedrongen om een ander onderwerp aan te snijden. “Het probleem is dat dit één van de weinige voorbeelden is waarbij de cancelcultuur expliciet wordt, meestal verloopt het veel subtieler”, getuigt Koopmans. “Je wordt helemaal niet meer uitgenodigd.” Ruud Koopmans werd in de drie jaar na het verschijnen van zijn controversieel boek ‘Het vervallen huis van de islam’ welgeteld twee keer aan een universiteit uitgenodigd om te spreken, waarvan één lezing die nog moet plaatsvinden.

De ideologie is de wetenschappelijke wereld binnengedrongen. Het duurde jaren vooraleer Koopmans zijn onderzoek over ‘De rol van religieuze schriften bij de legitimatie van geweld’ kon publiceren, omdat hierbij vooral de islam in beeld komt. Het gevaar komt vooral van ‘het intimiderende, zelf censurerende effect’ van de cancelcultuur. Het openlijk intimideren en het ontslaan van academici als activistische vorm is eerder zeldzaam. “Macht wordt ook uitgeoefend door niet-beslissingen : lezingen waarvoor niemand werd uitgenodigd, papers die nooit werden gepubliceerd, onderzoeken die niet gefinancierd werden…”, getuigt Ruud Koopmans. “De inperking van het zegbare leidt tot de inperking van het denkbare.” Censuur bij ons is niet meer expliciet en brutaal, maar eerder sluw en onderhuids. “Wie niet wil dat het zover komt, moet weerstand bieden aan hen die niets liever willen dan dat het zover komt”, besluit Ruud Koopmans. Dat is meer dan nodig.

foto’s (c) Gazet van Hove.