Cultureel instituut schrapt verwijzing naar nationale identiteit
NIEUWS – door Dirk Rochtus – www.doorbraak.be .
Enkele publicaties van het Bundesinstitut dat niet meer ‘der Duitsers’ mag heten. foto © Wikipedia Commons
Het verhaal van de verdrijving van miljoenen Duitsers uit oostelijk Europa past blijkbaar niet meer in de tijdgeest.
De afbouw van de eigen identiteit gaat in het Duitsland van Olaf Scholz (SPD) en Robert Habeck (Grüne) onverminderd voort. Een gerenommeerd federaal instituut verandert zijn naam om niet meer aan de verdrijving in 1945 van twaalf miljoen Duitsers uit oostelijk Europa te hoeven herinneren.
Het ‘Bundesinstitut für die Kultur und Geschichte der Deutschen im östlichen Europa‘ werd in 1989 in Oldenburg (Niedersachsen) opgericht om de Bondsregering te adviseren in alle kwesties die gingen over de cultuur en de geschiedenis van de Duitsers en Duitstaligen in Centraal- en Oost-Europa, kortom het Europa dat ten oosten van de Bondsrepubliek Duitsland ligt.
In dat oostelijk gelegen Europa hebben de Duitsers vanaf de middeleeuwen een grote rol gespeeld, in Pommeren en West- en Oost-Pruisen (vandaag Polen en gedeeltelijk Rusland) of in het Sudetenland (in het huidige Tsjechië). De eerstgenoemde gebieden werden deel van het ‘Reich’, het laatstgenoemde behoorde tot Bohemen en Moravië onder Oostenrijks bewind. Daarnaast bevonden er zich ook nog ‘Volksdeutsche’ in Hongarije, Roemenië en de Baltische staten.
Have en goed verloren
Aan die Duitse aanwezigheid in oostelijk Europa kwam een definitief einde met de ineenstorting van het ‘Derde Rijk’ in 1945. Miljoenen ‘Reichsdeutsche’ en ‘Volksdeutsche’ werden op last van Stalin verdreven (als ze al niet kort voor het einde van de Tweede Wereldoorlog op de vlucht waren geslagen voor het oprukkende Rode Leger). Nadat Duitsland al in 1919 West-Pruisen had moeten afstaan aan Polen, verloor het in 1945 ook nog zijn andere oostelijke provincies zoals Pommeren, Silezië en Oost-Pruisen.
De Duitsers die er woonden, verloren have en goed nadat ze op de vlucht geslagen waren of verdreven naar wat er volgens de geallieerde plannen nog van Duitsland overbleef. De naar schatting drie miljoen Sudeten-duitsers werden op basis van de naar de toenmalige Tsjechoslowaakse president genoemde Beneš-decreten onteigend en verdreven. Het gros van de Sudeten-duitsers vestigde zich in het naburige Beieren en droeg mee bij tot de economische opbloei van die regio.

Omzwachtelend
Die gemeenschappelijke geschiedenis verklaart mee waarom de uit christendemocraten (CSU) en Freiwähler bestaande regering van de deelstaat Beieren verontwaardigd reageert op wat het bestuur van voornoemd instituut in het najaar van 2023 heeft gedaan, namelijk de schrapping van de genitief ‘der Deutschen’ (‘van de Duitsers’) uit de oorspronkelijke naam. Het bestuur heeft het nu enkel nog omzwachtelend over ‘vluchtbewegingen en gedwongen migraties die op de Bondsrepubliek, de DDR en het verenigde Duitsland evenzeer hun stempel hebben gedrukt als de aankomst van de mensen die (later) uit de staten van oostelijk Europa zijn gekomen en de migratie na het einde van de Sovjet-Unie.’
De miljoenen verdreven Duitsers worden niet meer bij naam genoemd, de ‘historische ervaringen van deze mensen zijn voor ons niet verleden tijd, maar deel van het heden van Duitsland dat gekenmerkt wordt door post-migratie’. De ‘Vertreibung’ van 1945 wordt op die manier gelinkt aan en gerelativeerd door de massamigratie die vandaag plaatsvindt.

Patriotten
Tot eind jaren ’90 was de ‘Vertreibung’ van de Duitsers een thema waarover in de Bondsrepubliek nauwelijks mocht gepraat worden (laat staan in de voormalige DDR). Maar de Beieren schamen zich niet voor de Duitse cultuur (zoals die ook eeuwenlang mee uitgedragen werd door de ‘Vertriebene’ en hun voorouders). Ze zijn niet alleen trots op hun Beier-zijn, maar uiten zich ook als Duitse patriotten. Dat is bij het overgrote deel van de rode en groene kiezers en mandatarissen wel even anders.
Daar kan niet genoeg afstand genomen worden van alles wat Duits is, kortom van de eigen culturele identiteit. De schrapping van de verwijzing ‘der Deutschen’ past volledig in dat plaatje. De Beierse regering noemt het een ‘Herabwürdigung der deutschen Heimatvertriebenen‘, een ‘degradatie‘ (of letterlijk : het naar beneden-halen van de ‘Würde’, de waardigheid) van de Duitsers die in 1945 uit hun heimat werden verdreven.
De ‘Union’, de gemeenschappelijke fractie van de CSU en haar grotere zusterpartij CDU in de Bondsdag, had op 15 maart een ‘Kleine Anfrage’, een parlementaire vraag, gericht tot de Bondsregering in verband met de ‘schrapping van de verwijzing naar de nationale identiteit’ uit de naam van het instituut en wat de uitwerkingen ervan zijn op zijn ‘wettelijke opdracht op basis van §96 Bundesvertriebenengesetz (‘Wet op de Verdrevenen’), namelijk ‘zich geografisch, periode- en vakoverschrijdend met alle historische Duitse oostelijke provincies en de vestigingsgebieden van de Duitsers in Oost-Centraal, Oost- en Zuidoost-Europa bezig te houden’. Claudia Roth (Grüne), de staatssecretaris voor Cultuur en Media, liet in haar antwoord verstaan dat het erop aankomt ‘de ogen te openen voor de trauma’s, die vele asielzoekers op weg naar Duitsland hebben ervaren – te beginnen met het kolonialisme tot en met de ervaringen van racisme en uitsluiting in Duitsland’.

Ideologische tijdgeest
Bernd Fabritius (CSU), de voorzitter van de Bund der Vertriebenen (de organisatie die zich bekommert om het erfgoed en de belangen van de Vertriebene en hun nakomelingen), vertelde aan de Frankfurter Allgemeine Zeitung : ‘Voor ons als organisatie en vele van onze leden voelt het aan alsof men zich “ontdaan heeft van de Duitsers” en daardoor mee aan het onzichtbaar-maken van een oorspronkelijk deel van Duitse geschiedenis werkt’.
De reden waarom het instituut zich zo opstelt, wordt door dezelfde Fabritius treffend verwoord : ‘Ons lot past waarschijnlijk niet meer bij de ideologische Tijdgeest van een door mobiliteit en migratie gekenmerkte “Einwanderungsgesellschaft”’. Bereikt het instituut daarmee zijn doel ? ‘Helemaal niet’, zegt Reinhard Müller, redacteur van de FAZ, integendeel : ‘Wie vandaag uit alle delen van de wereld naar Duitsland komt, treft zo een land aan dat niet meer zeker en bewust is van zichzelf. Waarin moeten nieuwkomers zich dan integreren ? Wat zijn de eigen inwoners waard ?’.

Dirk Rochtus (1961) is hoofddocent internationale politiek en Duitse geschiedenis aan de KU Leuven/Campus Antwerpen. Hij is voorzitter van het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams-nationalisme (ADVN). Zijn onderzoek gaat vooral over Duitsland, Turkije, en vraagstukken van nationalisme.


