door Karim Van Overmeire in ’t Pallieterke .

In een vorige bijdrage had ik het reeds over het fenomeen van ‘social signalling’, waarbij mensen grote inspanningen leveren om te tonen dat ze tot een groep willen behoren. In Europa anno 2024 behoor je maar tot de categorie van de fatsoenlijke mensen wanneer je ‘LGBTQIA’ kan uitspreken zonder halverwege te haperen of te aarzelen. Zelf val ik buiten de prijzen. Tot de B of de T lukt het nog wel, maar daarna begin ik te twijfelen.

Eerlijk gezegd : ik doe ook niet bijzonder veel moeite, omdat ik het een absurd begrip vind. Er bestaat immers niet zoiets als een ‘LGBTQIA-gemeenschap’. Het letterrijtje impliceert dat mensen enkel op basis van – overigens zeer verschillende – seksuele voorkeuren toch allemaal tot dezelfde categorie van belaagde en gediscrimi­neerde slachtoffers behoren. Dat is gewoon feitelijk onjuist. Het is niet omdat een militante en rijkelijk gesubsidieerde lobby dat riedeltje verspreidt, dat het ook waar is.

Derde plaats

Volgens een recent gepubliceerde ranglijst van 49 Europese landen komt België op de derde plaats inzake de rechten van holebi’s, biseksuele, transgender en intersekse personen. Het goede resultaat is voor de lobbygroepen geen reden om tevreden achterover te leunen. Volgens Rémy Bonny, directeur van vzw Forbidden Colours, betekent dat “dat we nog 22 procent kunnen verbeteren”. De studie geeft ook aan dat meer dan de helft van de LGBTIA-personen bewust vermijdt om hand in hand met hun partner over straat te lopen. In het verhaal wordt een zekere Antoine opgevoerd die vorige zomer klappen kreeg op het Lemmensplein in Anderlecht.

“Dat geweld wordt voor een deel natuurlijk aangewakkerd door de extreemrechtse politiek”, meent Bonny. “Vlaams Belang, bijvoorbeeld, duidt transgender personen en de LGBTIA-gemeenschap constant als zondebok aan. In onze samenleving zien we de voorbije jaren een verrechtsing waarbij vooral extreemrechts LGBTQIA-rechten viseert. Het geweld wordt bijna aangemoedigd en dan gaan sommigen over tot actie,” aldus Bonny.

Islam

Ik beschouw mezelf als tamelijk mild op ethisch vlak. Ik geloof niet in een opperwezen dat regeltjes oplegt over wat er tussen de lakens mag of moet gebeuren. Ik vind ook niet dat een overheid zaken heeft met wat volwassenen met onderlinge instemming uitspoken. De westerse beschaving stort niet in wanneer twee mannen elkaar zoenen. Ik stoor me ook niet aan uitingen van genegenheid, al getuigt het volgens mij wel van goede smaak om daar in de publieke ruimte toch een beetje discreet in te zijn. Dat geldt ook voor hetero’s.

Ik erger mij wel gigantisch aan het feit dat men mij en de rest van de bevolking als idioten beschouwt. Als niet-hetero’s bepaalde wijken mijden, dan is dat niet wegens het vermeende gestook van extreemrechts, maar wel om dezelfde reden dat hetero’s die wijken mijden. De buurten waar homo’s niet hand in hand durven wandelen, zijn dezelfde buurten waar een jonge vrouw niet alleen durft te lopen. Het zijn dezelfde buurten waar ikzelf vaker dan elders over mijn schouder kijk.

Het extreemrechtse muisje wordt opgepompt tot een gigantische olifant, terwijl over de echte olifant met geen woord wordt gerept. Woorden als ‘islam’ of ‘massa-immigratie’ worden angstvallig vermeden. In de vele interviews wordt niet één kritische vraag gesteld. Op het einde van het verhaal komt de subsidie-slurpende aap natuurlijk uit de mouw : met het dreigende succes van ‘extreemrechts’ moet de overheid nu dringend meer geld geven aan de lettertjeslobby.

Ik ben voor vrije meningsuiting. Die geldt ook voor manifeste onzin. Maar onzin moet niet noodzakelijk gesubsidieerd worden. Kijk, daar duikt al een mooie besparingspost op.

foto’s (c) Gazet van Hove .