door Pieter Vandermoere in ’t Pallieterke.
In een van zijn eerste publieke toespraken op Pinksteren jongstleden, laat de huidige kerkvader zich meteen in politieke zin uit. Hij zet er nationalisme gelijk met ‘uitsluiting en oorlog en muren van haat’, in strijd met de Heilige Geest.

Als universele godsdienst heeft het katholicisme vaak een moeilijke verhouding gehad met de natiestaat. Tot ver in de vorige eeuw waren er ultramontaanse bewegingen die Kerk boven Staat plaatsten. Toch blijft het verbazingwekkend hoe sterk recente pausen een karikatuur maken van de emanciperende beweging die het nationalisme was en is. Daarvoor hoeven we enkel maar te verwijzen naar de wijze waarop het katholicisme in Polen, Kroatië en Ierland voor zelfbeschikking heeft gezorgd.
Het boek dat voor me ligt, waagt een poging om het ruim omvattende begrip in historisch perspectief te plaatsen. Eric Storm is professor geschiedenis aan de universiteit van Leiden. Daarbij heeft hij een bijzondere interesse voor nationale identiteiten en regionale bewegingen in West-Europa rond het begin van de 20ste eeuw.

De opgang van de natiestaat
Naast een heldere omlijning van het thema, worstelt elke auteur met het kiezen van een passend startpunt. Natiestaten zijn immers vrij recent. De identificatie met een godsdienst, een stad of een lokale gemeenschap was in de middeleeuwen meer gangbaar. Koningen en keizers dienden toen nog af te rekenen met de macht van de Kerk en de steden, vooral in de Lage Landen en Noord-Italië.
Historici beweren dat pas met de secularisatie in de 19de eeuw deze zich ten volle kon ontplooien. Ook wijst Storm erop dat het verlaten van het Latijn als voertaal helpt om een nationale identiteit te creëren. De democratisering van onderwijs in de ware zin van het woord (dus niet de nivellering naar beneden, PVDM) karakteriseert het emanciperende karakter van het nationalisme.
De verhouding van de moderne burger tot de politieke overheid werd ook minder vrijblijvend. Deze bleef niet langer meer beperkt tot een vreemde heerser die sporadisch voorbijtrok om recht te spreken of uit een verre hoofdstad te regeren. Er kwam een staand leger, maar ook belastingen en een ambtenarenapparaat. Het is onnodig te benadrukken dat naties zelden cultureel homogeen zijn. Het is eerder te onderlijnen dat met foute, gekleurde stereotypering van het nationalisme het kind met het badwater wordt weggegooid : solidariteit, gemeenschapsgevoel, zingeving.

Rechten én plichten
De auteur legt het begin van zijn boek ook bij de opgang van de burgerrechten van een steeds ruimere groep inwoners, waarbij rechten ook aan plichten en een verklaring van trouw werden gekoppeld. Denk maar aan de opkomst van de dienstplicht ten tijde van de jonge Franse republiek. Het is een les naar vandaag, waarbij ‘papieren’ een vrijgeleide zijn voor allerhande politieke en vooral sociale rechten, zonder dat daartegenover iets komt te staan.
Het boek beperkt niet tot de politiek-ideologische dimensie. De auteur strooit kwistig met voorbeelden uit het dagelijkse leven die een nationaliserend effect sorteren : mode, eetgewoonten, sport, musea en natuurlijk literatuur. Denk maar aan onze Hendrik Conscience. Men componeert een volkslied, ontwerpt een nationale vlag en voert een feestdag in om een historische hoogdag te herdenken en tegelijk vooruit te blikken.

Nogal ruim opgevat
Naarmate het nationalisme doorheen de 19de eeuw aan belang wint, dient de schrijver vaak tegengestelde trends binnen deze ideologie te duiden. Frans jakobinisme versus Duitse romantiek, imperialisme versus volksnationalisme, tribalisme versus pan-bewegingen. Dient een natie geschraagd te worden door afkomst, cultuur, godsdienst of simpelweg door een gezamenlijke toekomst ? Het blijft een verhit onderwerp tot vandaag. Maar door de uitdijende stromingen wordt het wel plots heel veel en moeilijk om voor de lezer nog een zekere consistentie en helder overzicht te behouden.
Het boek weidt uit over het economisch beleid van Keynes na 1945, mijns inziens wat ver van het onderwerp van het boek. Anderzijds wordt de groeiende invloed van supranationale organisaties als EU, VN, IMF, ECB,… op het economisch, politiek en monetair beleid amper aangeraakt. Hier ligt toch een gemiste kans. Anderzijds maken de heldere besluiten bij ieder hoofdstuk het boek zeer leesvriendelijk. En af en toe spitse analyses, zoals het verschil tussen nationalisme en fascisme. De eerste plaatst de staat in functie van de natie, terwijl het de laatste het tegenovergestelde bewerkstelligt. Laat niemand deze dus op gelijke voet stellen !

Eric Storm, ‘Nationalisme – een wereldgeschiedenis’. 2024, uitgeverij Alfabet. 704 blz., 49,99 euro. ISBN 9789021343198.

foto’s (c) Gazet van Hove .

