door Stefaan Marteel – www.doorbraak.be .

| Titel | The Age of Hitler |
|---|---|
| Subtitel | and How We Will Survive It |
| Auteur | Alec Ryrie |
| Uitgever | Reaktion Books |
| ISBN | 9781836390824 |
| Onze beoordeling | |
| Aantal bladzijden | 160 |
In een prikkelend essay bespreekt Brits historicus Alec Ryrie de huidige cultuuroorlog vanuit het perspectief van de lange schaduw van het antinazisme. Leven we in ‘De Tijd van Hitler’ ?
De tijd – die begon in 1945 – is de tijd waarin de westerse overwinnaars op nazi-Duitsland de conversatie op globale schaal hebben bepaald. Het is de tijd waarin ‘de mensheid’ en universele mensenrechten ons gemeenschappelijke geloof werden – net omdat de barbarij van de nazi’s werd uitgelegd als een direct gevolg van ‘de minachting en verachting van mensenrechten’, zoals letterlijk staat in de Verklaring van de Verenigde Naties.
Tot zover niet veel nieuws onder de zon. Wat Alec Ryrie’s bespreking van de Tweede Wereldoorlog als bepalende gebeurtenis van ons tijdgewricht interessant maakt, is dat hij die beschouwt als de keerzijde van een andere fundamentele cultuurshift : de verdwijning van het christelijke geloof als ons moreel referentiekader. (Ryrie is historicus van het christendom aan Durham University.)

Jezus Christus
Uiteraard was reeds lang voor de oorlog sprake van secularisering, erkent Ryrie, maar dat was toch vooral een intellectueel fenomeen. En als er iets had standgehouden, of zelfs tijdens het fin de siècle een heropleving had meegemaakt, was het de morele autoriteit van Jezus Christus.
Dat de kerken door de Tweede Wereldoorlog alsnog ‘de afgrond werden ingeduwd’ is, aldus Ryrie, een direct gevolg van de dubieuze houding van de christelijke geloofsgemeenschappen tegenover datgene wat na 1945 als het absolute kwaad werd erkend : de vervolging van en massamoord op de Joden en andere minderheidsgroepen.
En in de plaats kwam de Tweede Wereldoorlog zelf, als onuitputtelijke bron van epische en tragische verhalen (zie de filmindustrie) en zelfs als een nieuwe bron van zingeving en geloof. Samengevat : tot WO II was Jezus Christus de ‘meest bepalende morele figuur’ in de westerse geschiedenis, nadien werd het Adolf Hitler.

Een twijfelachtige erfenis
De verdienste van Ryries reflectie ligt erin dat ze toelaat om met een frisse, niet-vooringenomen blik te kijken naar hoe het politieke en culturele debat in recente jaren aan het verschuiven is, nu de Tweede Wereldoorlog geleidelijk aan uit het collectieve geheugen verdwenen is.
Eén gevolg is dat oudere misdaden, met name uit de Europese koloniale geschiedenis, opnieuw onder de aandacht komen. Dat komt omdat de heroïsche status die Groot-Brittannië en de VS aan WO II hadden overgehouden voor uitstel van een onvermijdelijke morele afrekening heeft gezorgd. Racisme in bredere zin is zo een meer actueel thema geworden, wat op zijn beurt het morele belang van de overwinning op nazi-Duitsland heeft ondermijnd.

Een problematische erfenis was hoe de herinnering aan het nazisme in de internationale politiek zich vaak heeft vertaald in een anti-appeasement retoriek. Het probleem hiermee, aldus Ryrie, was dat nazi-Duitsland, als een regime dat exclusief uit was op oorlog en massamoord, historisch uniek was. De les dat kwaadwillige fenomenen alleen met brute kracht kunnen worden uitgeschakeld is dan ook meestal onjuist gebleken, alleen al omwille van het kwaad bloed en het ressentiment die steevast volgen op een gewapend conflict.
Het meest cruciale probleem in het ‘tijdperk van Hitler’ vormt voor Ryrie, opnieuw in vergelijking met vroegere tijden, dat een positieve morele referentie (Jezus) vervangen werd door een negatieve. Dat ondermijnt elk begrip van wat vroegere filosofen ‘het goede’ plachten te noemen : ‘We worden de wereld in geslingerd, krijgen te horen dat we vrije en soevereine individuen zijn, worden aangespoord om ons eigen geluk na te streven en worden aan ons lot overgelaten om zelf uit te zoeken wat dat geluk dan ook moge zijn.’

Het heeft geleid tot consumentisme en focus op economische productiviteit, waar volgens Ryrie de opkomst van de identiteitspolitiek, met haar verschillende vormen ter linker- en rechterzijde, een reactie op vormt. Ook aan de verruwing van het debat ligt de erfenis van het antinazisme ten grondslag : we weten alleen nog uitdrukking te geven aan onze morele stellingnames via de weg van oppositie en denunciatie.
Voorbij morele zelfgenoegzaamheid
De ‘cultuuroorlog’ is wat Ryrie in het derde deel van zijn essay direct onder ogen neemt. Aan de ‘seculiere linkerzijde’ raadt hij aan terug aansluiting te vinden bij de christelijke traditie, aan de rechterzijde om de positieve erfenis van het antinazisme, met name het pluralisme, van ganser harte te omarmen en haar ranzige kanten definitief af te vijlen. Dat is hoe we de eeuw van Hitler zullen overleven zonder het kind met het badwater weg te gooien.
Dat laatste klinkt eerder vaag en voorspelbaar. Maar dat belet niet dat Ryrie met zijn historiserende, afstandelijke blik een welgekomen geluid laat horen in een gepolariseerd klimaat, wat beide zijden van het spectrum ertoe kan aanzetten de eigen morele zelfgenoegzaamheid in vraag te stellen. Of zoals hij terecht stelt : uiteindelijk is de belangrijkste strijd die we moeten leveren een innerlijke strijd.
Stefaan Marteel studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Gent en doctoreerde aan het Europees Universitair Instituut te Firenze op een proefschrift over het politiek denken van de Belgische Revolutie (The Intellectual Origins of the Belgian Revolution : Political Thought and Disunity in the Kingdom of the Netherlands, 1815-1830, Palgrave, 2018). Hij doceerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen en werkt sinds enkele jaren als zelfstandig historicus en recensent. Hij schreef het boek Natiestaat contra Republiek : de ‘verloren schat’ van het republikeinse universalisme (Garant 2021).

foto’s (c) Gazet van Hove & Wikimedia Commons.

