COLUMN – door Jan Denys – www.doorbraak.be .

Op één vlak haalt de Belgische arbeidsmarkt in elk geval een gouden medaille : voor aantal stakingsdagen.
Wat zijn speciale kenmerken van de Belgische arbeidsmarkt ? De nog altijd te lage werkzaamheidsgraad komt als eerste kenmerk naar voren. Er zijn maar een paar landen in de Europese Unie waar gemiddeld minder mensen werken dan in België. Het groot aandeel contracten van onbepaalde duur mag ook niet ontbreken. Amper 8 procent van de werknemers werkt met een tijdelijk contract, in de EU is dat gemiddeld 13 procent. En wat zeker ook niet kan ontbreken is het hoge aantal stakingsdagen. Daar halen we zelfs goud. Ook dit jaar.
Gemiddeld werd er in België tussen 2013 en 2022 maar liefst 102 dagen gestaakt per 1000 werknemers. In Frankrijk was dat 99 en in Finland 90. Er is een brede perceptie dat er veel meer wordt gestaakt in het Zuiden van Europa dan in het Noorden. In het Zuiden heerst het conflictmodel, in het Noorden het consensusmodel. Maar dat beeld stemt maar gedeeltelijk overeen met de realiteit.
Conflict versus consensus
In België wordt het hoge aantal stakingsdagen mee bepaald door de grote stakingsbereidheid in Brussel en Wallonië. Daar ligt het aantal stakingsdagen dubbel zo hoog als in Vlaanderen. Voor België gaat de Noord-Zuidvergelijking dus wél op. Voor de EU als geheel geldt dat minder.
Frankrijk scoort hoog, maar in Finland– een Scandinavisch land – wordt bijna evenveel gestaakt. En op de vierde plaats vinden we Denemarken terug, nog een Scandinavisch land. Spanje vervolledigt de top vijf. Waar zijn Italië en Griekenland ? Blijkt dat er in die landen geen betrouwbare statistieken te vinden zijn over staken. Als we een schatting moeten maken, zou Griekenland wellicht nog België voorbijsteken. Ook Italië zou sterk aanleunen bij de top drie. Maar in Portugal wordt dan weer bijna niet gestaakt.
Zowel in het Noorden als in het Zuiden zijn er landen met veel en weinig stakingsbereidheid
De dichotomie Noorden-Zuiden inzake stakingsbereidheid is in elk geval veel te simplistisch. Zowel in het Noorden als in het Zuiden zijn er landen met veel en weinig stakingsbereidheid. De landen met de minste stakingsbereidheid zijn te vinden in het Oosten van Europa (Polen, Hongarije …) en in het centrum van Europa (Nederland, Duitsland).

Hervormingen
Waarom staken sommige landen meer dan andere ? Een hoge graad van vakbondslidmaatschap is niet voldoende als verklaring. België combineert een hoog lidmaatschap met veel stakingen, maar in veel landen is die samenhang niet te vinden. In Frankrijk zijn net weinig mensen lid van de vakbond. Zweden en Denemarken kennen allebei een hoog lidmaatschap, maar in Denemarken wordt een stuk meer gestaakt dan in Zweden.
In sommige landen zijn politieke stakingen gangbaar, elders zijn ze onwettig
In sommige landen zijn politieke stakingen gangbaar. Dat is het geval in België, maar bijvoorbeeld ook in Finland, wat mee verklaart waarom er daar relatief veel gestaakt wordt. In veel landen is zoiets dan weer uit den boze. Duitsland heeft een cultuur van vredesplicht (Friendspflicht) tijdens de looptijd van een CAO. Zolang een CAO loopt is het not done te staken. Er wordt alleen gestaakt als een CAO verlopen is en men er niet in slaagt een nieuwe af te sluiten. Politieke stakingen zijn sowieso onwettig.
Stakingen vinden ook meer plaats in tijden van sociaaleconomische hervormingen. Frankrijk is daar wellicht het beste voorbeeld van, maar ook België laat zich niet onbetuigd. Het grootste aantal stakingen de voorbije halve eeuw vond plaats tijdens de regering-Dehaene bij de invoering van het Globaal Plan in 1993. Het was de tijd van de invoering van de gezondheidsindex, de loonstop en forse besparingen in de sociale zekerheid. Toen De Wever zijn hervormingsagenda lanceerde konden we al voorspellen dat we zouden afstevenen op een nieuwe piek inzake stakingsdagen.
Opnieuw is er Duitsland als tegenvoorbeeld. De Hartzhervormingen (2003-2005) lokten wel straatprotest uit, maar relatief weinig stakingen. Deze waren gewoon niet wettig.

Tucht van de markt
Ten slotte wordt er ook meer gestaakt in de overheidssector. In de privésector is er meestal enige terughoudendheid, zeker als het om een sector gaat die blootgesteld is aan internationale concurrentie. Daar speelt de tucht van de markt. Die bezorgdheid hebben ambtenaren niet. Bovendien is er dikwijls sprake van monopoliesituaties zoals bij het openbaar vervoer. En de syndicalisatiegraad ligt bij de overheid ook een stuk hoger.
Voor ambtenaren speelt de bezorgdheid over markt en concurrentie niet
Dit betekent dat sociaaleconomische hervormingen bij de overheid zelf per definitie zware stakingen uitlokken. Zoals in België vandaag. Het is overigens goed mogelijk dat Bart De Wever straks Jean-Luc Dehaene onttroont als de premier met de meeste stakingsdagen. De lijst van stakingen sinds het aantreden van de regering oogt nu al hallucinant. In absolute dagen zal dat zeker het geval zijn, maar wellicht niet als het wordt afgezet tegen het aantal werknemers. In 1993 waren er 3,1 miljoen werknemers, nu 4,2 miljoen.

Net zoals Dehaene toen, heeft De Wever deze stakingen al ingecalculeerd. Net zoals toen zullen de stakingen weinig of geen effect sorteren. Sammy Mahdi (cd&v) was daarin heel eerlijk in De Standaard. Hij gelooft niet dat zijn stem aan de onderhandelingstafel door de stakingen luider heeft geklonken.
Het recht om te staken is een van de meest fundamentele rechten van de werknemer en is verankerd in internationale verdragen. Daar kan niet lichtzinnig mee omgesprongen worden, maar met de huidige reeks van stakingen, veelal op kap van de gewone burger, is een duidelijke grens overschreden. Zo kan het in elk geval niet verder.

Jan Denys
Volgt sinds 1983 de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Eerst op de KULeuven als wetenschappelijk medewerker, later bij Randstad en sind eind 2024 als zelfstandig expert. Hij is sinds 2015 lid van de Hoge Raad voor Werkgelegenheid.
Foto’s (c) Gazet van Hove.

