door Anton Schelfaut in ’t Pallieterke .

Drie partijen die rond de tien procent schommelen, twee die met de kiesdrempel flirten en amper twee grote spelers met elk een kwart van de stemmen : het Vlaamse politieke landschap is versnipperd als nooit tevoren. Maar wat als net die versnippering de oorzaak is van de besluiteloosheid en het voorzichtig bestuur ? Politicoloog Carl Devos (UGent) pleit voor een herverkaveling van het politieke landschap. “We zouden beter af zijn met minder, maar grotere partijen.”

De Senaat nam kort voor de paasvakantie een eerste belangrijke horde om uiteindelijk te kunnen overgaan tot zijn eigen afschaffing. De vereiste tweederdemeerderheid kwam evenwel maar moeizaam tot stand, ook al staat de afschaffing zwart op wit ingeschreven in het regeerakkoord. De MR – nochtans een regeringspartij – onthield zich tijdens een belangrijke stemming in de plenaire vergadering van de Senaat.

Niet iedereen ziet de Senaat dus even graag verdwijnen, ook politicoloog Carl Devos (UGent) niet. Hij had een eenvoudigere oplossing om het ‘probleem’ op te lossen : “Schaf de Senaat niet volledig af, maar beperk hem sterk in zijn werking. Je kan de verplichte bicamerale procedures behouden – dat zijn de procedures waarin de Senaat echt moet tussenkomen –, maar schaf de optioneel bicamerale procedures en het evocatierecht af. Op die manier komt de Senaat alleen nog tussen bij grondwetswijzigingen, staatshervormingen en andere fundamentele dossiers. En schaf ook de gecoöpteerde senatoren af.”

De volledige afschaffing van de Senaat wordt vaak voorgesteld als een besparing op het politieke systeem, maar dat is volgens Devos slechts in beperkte mate het geval. “Je moet het personeel en de gebouwen blijven onderhouden, dus het gaat zeker niet om de grote bedragen die soms worden genoemd. Maar in het hierboven geschetste model zou de Senaat nog slechts sporadisch samenkomen –misschien een of twee keer per legislatuur, wanneer het echt nodig is. Zo kan je de Senaat laten bestaan in een zeer beperkte, maar gerichte rol”, legt hij uit.

Federaal Parlement Brussel

Kan de afschaffing van de Senaat beschouwd worden als een stap achteruit voor de deelstaten, in die zin dat ze niet langer vertegenwoordigd zullen zijn op het federale niveau ?

“Het idee dat de deelstaten via hun vertegenwoordigers – bijvoorbeeld via senatoren – rechtstreeks mee kunnen beslissen op federaal niveau over bijvoorbeeld een staatshervorming, is een zeer belangrijk principe binnen het federalisme. Het klopt dat de Senaat vandaag niet meer op die manier werkt. Maar dat is geen natuurwet. De Senaat is bewust uitgekleed en in zekere zin ontmanteld omwille van politieke keuzes.”

“Tegelijk heb ik ook begrip voor het argument dat ‘de politiek’ te veel kost. Daarom pleit ik voor een tussenoplossing : laat de Senaat bestaan, maar beperk hem tot een vergadering van deelstaatsenatoren die enkel samenkomt bij verplicht bicamerale procedures. Dat kost in de praktijk nauwelijks meer dan een volledige afschaffing, aangezien je toch het personeel en de infrastructuur moet behouden. Maar je behoudt wél een instelling die een belangrijke rol kan spelen. En dat is cruciaal, want als je de Senaat afschaft –een instelling die bestaat sinds 1830 –, dan komt die nooit meer terug.”

Moeten we daar dan rouwig om zijn ?

“Fundamenteel gaat het hier over een kernidee van het federalisme: self-rule én shared rule. Self-rule betekent autonomie voor de deelstaten. Shared rule betekent dat diezelfde deelstaten op federaal niveau mee beslissen over het basiscontract van de staat: de grondwet en staatshervormingen. Die gezamenlijke besluitvorming is intellectueel en theoretisch bijzonder belangrijk. We hadden dat principe ook perfect kunnen organiseren. Tenminste, als we daar politiek voor gekozen hadden. Maar men heeft dat niet gewild, omdat de politieke marketing zegt: ‘We moeten die Senaat afschaffen.’ Dat is een trofee, iets waarmee je kan uitpakken. Men gaat ervan uit dat kiezers daar blij om zullen zijn. Maar of dat echt zo is, betwijfel ik.”

“Als je de Senaat afschaft, is hij definitief weg. Als je hem laat bestaan, zelfs in een uitgeklede vorm, dan kan hij op termijn misschien opnieuw een zinvolle rol spelen. Vandaag ligt de nadruk te veel op marketing en symboliek. Tegelijk begrijp ik wel dat de gemiddelde burger naar de Senaat kijkt en denkt: ‘Moet die echt nog bestaan?’ Dat gevoel leeft duidelijk. Maar politici zouden ook op lange termijn moeten durven denken en zich niet alleen mogen laten leiden door de waan van de dag of door wat op dat moment populair klinkt. Alleen is er vandaag bijna niemand die dat standpunt nog durft in te nemen, ook het Vlaams Belang niet. Ze gebruiken het argument dat de deelstaten hun federale vertegenwoordiging verliezen, maar uiteindelijk stemmen ze toch mee voor afschaffing van de Senaat. Dat is toch wel wat populistisch.”

Is de afschaffing van de Senaat een institutioneel borrelnootje ? Of is het echt wel fundamenteler dan dat ?

“De afschaffing van de Senaat is geen grote trofee of grote institutionele hervorming. Maar als je het historisch bekijkt – het gaat om een instelling die al bestaat sinds 1830 –, dan is het natuurlijk wel significant. In de geschiedenisboeken zal zeker vermeld worden dat rond 2029 de Senaat werd afgeschaft. Maar de vraag is of dat in de dagelijkse politieke praktijk zo’n groot verschil zal maken. Dat betwijfel ik. Het klopt dat de Senaat vandaag geen grote rol meer speelt. Alleen: het is niet omdat dat nu zo is, dat dat in de toekomst niet opnieuw kan veranderen. Geschiedenis is geen rechte lijn. Instellingen komen en gaan, en rollen evolueren. We hebben soms de neiging om te denken dat wat we vandaag zien en doen de norm zal blijven voor de komende decennia. Maar dat is niet noodzakelijk zo. Misschien kijkt men hier binnen twintig jaar helemaal anders naar.”

O-VLD heet nu “ANDERS”

“Stel dat je Anders vandaag opnieuw zou moeten oprichten : zou je dat dan doen ?”

Anders leverde in tegenstelling tot haar Franstalige zusterpartij de MR wél de nodige stemmen om tot een tweederdemeerderheid te komen. Laat ons meteen eens inzoomen op die partij. Werpt de naamsverandering al haar vruchten af ?

“Anders heeft enkele handicaps. Ten eerste is er de concurrentie. Daarnaast zijn er intern nog veel bekende gezichten die de oude Open Vld blijven symboliseren. Ook de deal in Brussel heeft de geloofwaardigheid aangetast. Je zou kunnen zeggen : gelukkig doen ze mee, want anders was er misschien geen Brusselse oplossing geweest. Maar aan de andere kant : als je al die tijd hebt gezegd dat je nooit zonder de N-VA in een Brusselse Regering zou stappen en je doet dat vervolgens toch, dan ondermijn je je eigen geloofwaardigheid. De nieuwe voorzitter, Frédéric De Gucht, heeft met een van zijn eerste grote beleidsdaden meteen zijn eigen geloofwaardigheid diametraal ondergraven.”

“Ik moet wel zeggen dat de negatieve reacties die er kwamen na de eerste slechte peiling, voor Anders heel voorbarig waren. Vergeet ook niet dat veel mensen gewoon nog niet weten wat Anders is. Er zijn veel mensen die gepolst worden en zeggen: ‘Anders, wat is dat ?’ of ‘Nee, ik ken Anders niet.’ De nieuwe naam is nog lang niet bij iedereen doorgedrongen.”

is dit nu de liberale partij ?

“De sterkte van Anders zal ook de zwakte van Arizona zijn. Als Arizona er echt een potje van maakt en het niet marcheert, dan zullen een aantal kiezers die van de centrumpartijen naar de N-VA zijn overgestapt misschien terugkeren. Ze zullen waarschijnlijk niet naar CD&V gaan, want die zat ook in diezelfde constellatie. Maar het is mogelijk dat een deel van die gefrustreerde centrumkiezers, die ooit voor de N-VA hebben gekozen, terugkeert naar de stal van Anders. Ik weet dat natuurlijk niet zeker. Dat staat voor mij niet vast. Het is niet per definitie zo dat dit slecht moet aflopen. Al moet ik wel zeggen dat het er op dit moment niet goed uitziet.”

“Frédéric De Gucht heeft met een van zijn eerste grote beleidsdaden meteen zijn eigen geloofwaardigheid ondergraven”

Moeten we daar rouwig om zijn ? Is er überhaupt nog een partij als Anders nodig in Vlaanderen?

“Stel dat je die partij vandaag opnieuw zou moeten oprichten, zou je dat dan doen ? Kijk naar het belangrijkste punt : het sociaaleconomisch liberale programma. Dat hebben ze zelf ondergraven door hun regeringsdeelname. Daardoor zijn ze hun geloofwaardigheid kwijtgeraakt en heeft de kiezer gezegd: ‘Sorry, maar wij geloven jullie niet meer.’ Op sociaaleconomisch vlak lijkt dat terrein bovendien grotendeels ingenomen door de N-VA. Dat is vandaag dé economisch liberale partij – al zullen we moeten zien of ze haar geloofwaardigheid op dat vlak de komende jaren kan behouden.”

“Dan heb je nog het liberalisme als ideologie, met vrijheid en bescherming van de burger als kernpunten. Op dat vlak neemt Anders wel nog een unieke positie in. Je ziet dat de N-VA soms te gemakkelijk meegaat in maatregelen die de vrijheid onder druk zetten, zoals camera’s of allerlei fiscale regels, terwijl Anders daar duidelijk stelling tegen inneemt : ‘Nee, dat gaat in tegen de vrijheid en privacy.’ Ook op ethische thema’s is er nog een duidelijk verschil. De N-VA is eerder conservatief, terwijl Anders traditioneel een progressieve partij is.”

“Er zijn dus nog wel een paar domeinen waar Anders een unieke positie kan innemen. Maar de vraag blijft of we voor elke combinatie van standpunten een aparte partij moeten oprichten. We hebben er nu al zoveel. Ik sluit ook niet uit dat, als de peilingen slecht blijven naarmate de volgende verkiezingen naderen, een aantal parlementsleden van Anders overloopt naar andere partijen.”

“Ik sluit niet uit dat een aantal parlementsleden van Anders overloopt naar andere partijen als de peilingen slecht blijven”

moeten we voor ieder probleem een aparte partij oprichten ?

Met andere woorden : er zouden beter een aantal partijen verdwijnen ?

“Je zou kunnen zeggen dat het partijlandschap gebaat is bij een sanering. Misschien zouden we beter af zijn met minder, maar grotere partijen. Vanuit systeemoogpunt is het vandaag niet echt functioneel, want je hebt heel wat partijen die rond de 10 procent schommelen. Er zitten er een paar onder – zoals Groen, PVDA en Anders – en een aantal net boven, zoals CD&V en Vooruit. Daarnaast heb je twee grotere partijen naar Vlaamse normen : de N-VA en het Vlaams Belang, met elk ongeveer een kwart van de stemmen. Maar daarnaast blijven er dus nog vier tot vijf kleinere partijen over die allemaal rond die 10 procent zitten. Dat maakt het partijlandschap erg versnipperd. Een sanering, waarbij een aantal van die partijen verdwijnen en hun stemmen opgaan in grotere partijen, zou functioneel kunnen zijn. Het politieke systeem zou er geen nadeel van ondervinden als er wat minder partijen zouden zijn.”

Zullen partijen alleen verdwijnen als de kiezer hen onder de kiesdrempel duwt ? Of zijn er nog andere manieren om dat te bewerkstelligen ?

“Ook een hervorming van de kieswet kan daartoe leiden. Maar precies de kleine partijen zullen zich verzetten tegen zo’n kieshervorming. Dat is een beetje zoals een kalkoen die voor Kerstmis stemt: ze zullen natuurlijk geen systeem steunen waarvan ze weten dat ze er zelf zetels door verliezen. Nochtans zou een kieshervorming, waar het systeem baat bij zouden hebben, waarschijnlijk de enige structurele manier zijn om tot minder, maar grotere partijen te komen.”

CD&V is een klein partijtje geworden

Waarom zouden we grotere partijen willen ?

“Wel, omdat grotere partijen anders kunnen besturen. Een partij die rond de 30 procent zit, kan beslissingen nemen met meer risico en meer moed. Ze weet: als we wat verliezen bij de volgende verkiezingen en terugvallen naar 25 procent, is dat pijnlijk, maar overleefbaar.”

“Voor partijen die rond of onder de 10 procent zitten – en zeker wanneer ze richting de kiesdrempel van 5 procent gaan –, is dat helemaal anders. Die zijn voortdurend bezig met overleven en profilering. Ze nemen minder risico’s en zijn voorzichtiger in hun beleidskeuzes, omdat de kost van regeren in deze volatiele tijden zo hoog is dat ze anders dreigen te verdwijnen. Daarom zou het voor het beleid zelf vaak beter zijn om met minder, maar grotere partijen te werken dan met een versnipperd landschap van veel kleine partijen.”

In de peilingen voelt de MR de hete adem van de PS in de nek. Is dat een van de reden waarom de Franstalige liberalen hun belgicistische koers plots laten varen en op federaal niveau maatregelen bepleiten die vooral de Waalse achterban ten goede komen, zoals het omgekeerde cliquetsysteem om de prijs aan de pomp te drukken?

“Je moet de belgicistische schijn die rond de MR hangt toch wat relativeren. Dat zit eigenlijk niet zo diep ingebed in de partij. Het blijft in de eerste plaats een Franstalige partij, punt aan de lijn. En wat je nu ziet – en dat helpt de coalitie zeker niet –, is dat de MR er zelfs aan denkt om in 2029 ook in Vlaanderen op te komen. Dat maakt de N-VA uiteraard nerveus. Maar dat is niet zo evident met een voorzitter die niet eens Nederlands spreekt. Bovendien heeft diezelfde voorzitter tijdens de Brusselse formatie gezegd dat de Vlamingen in Brussel wel heel goed beschermd zijn. Er zijn ook Vlamingen die dat vinden, maar het was toch geen uitgesproken Vlaamsvriendelijk standpunt. Dus ja, die zogenaamd belgicistische uitstraling betekent in de praktijk niet zo veel. De MR weet heel goed waar haar kiezers zitten en waar haar politieke sterkte ligt: in Franstalig België, zeker in Brussel, maar ook in Wallonië. En als het erop aankomt, zal die partij in de eerste plaats de Waalse belangen verdedigen.”

de MR is een Waalse & Frans Brusselse partij

“Als het erop aankomt, zal de MR in de eerste plaats de Waalse belangen verdedigen”

Een regering zonder de PS werd altijd voorgesteld als een soort staatshervorming op zich. Zou het communautaire snel weer op de voorgrond kunnen treden als de PS na de volgende verkiezingen opnieuw de grootste partij van Wallonië wordt ?

“Het is natuurlijk moeilijk om zo ver vooruit te blikken. Er kan nog veel gebeuren tot 2029. Maar het klopt wel dat men zich daar bij de N-VA zorgen over maakt. Tegelijk heeft de N-VA een duidelijke strategie ontwikkeld. De N-VA heeft de ‘fortdoctrine’ naar voren geschoven in plaats van het klassieke confederalisme. Het idee is : we besturen België zonder staatshervorming, maar we leggen wel een Vlaams beleid op federaal niveau op. Met andere woorden: we nemen het fort in, we bezetten de machtsposities – de commanding heights – en van daaruit sturen we het beleid. Dat beleid is centrumrechts, zoals veel Vlaamse kiezers dat willen.”

“In die logica heb je geen onmiddellijke staatshervorming nodig. De oorspronkelijke redenering achter het confederalisme was dat bepaalde hervormingen federaal niet mogelijk waren omdat links Wallonië ze blokkeert, en dat Vlaanderen het daarom zelf moet doen. Dat is een vorm van economisch nationalisme. Maar als je op federaal niveau al een beleid kan voeren dat overeenkomt met de Vlaamse voorkeuren, dan vervalt die noodzaak deels. De fortdoctrine kan verklaren waarom het confederalisme voorlopig in de koelkast blijft.”

zit (voorlopig) in de oppositie …

Voorlopig ?

“Zodra de fortdoctrine niet meer werkt – met andere woorden : zodra je België niet langer op een Vlaamse manier kan besturen –, verandert het verhaal. Zeker als zelfs niet-linkse Franstalige partijen, zoals de MR en Les Engagés, beginnen tegen te werken. Dat speelt natuurlijk in de kaart van de N-VA. Dan kan het confederalisme opnieuw vanonder het stof gehaald worden. Men zal dan zeggen : ‘Als Arizona II niet meer mogelijk is en De Wever geen premier meer is, dan moeten we misschien wel met de PS rond de tafel.’ Maar dan niet om een klassiek regeerakkoord te sluiten over federaal beleid. Wel om opnieuw te onderhandelen over een staatshervorming, zoals men dat bijvoorbeeld in 2019 en 2020 al eens geprobeerd heeft. Het idee zou dan zijn om een akkoord te sluiten waarbij een aantal bevoegdheden naar de regio’s worden overgeheveld. Zodat Vlaanderen op die domeinen zelf beleid kan voeren, terwijl Wallonië en Brussel hun eigen keuzes maken.”

wil twee legislaturen uitdoen …

Welke moeilijkheden ziet u ?

“Het grote probleem is dat het mechanisme dat in het verleden – althans bij de zes voorgaande staatshervormingen – telkens gewerkt heeft, vandaag veel moeilijker vol te houden is. Een ruil tussen bevoegdheden en geld is vandaag niet zo evident, omdat het federale niveau financieel in een bijzonder moeilijke situatie zit. De vraag is dus hoe je zulke deals nog zal ‘smeren’. Waar haal je het geld vandaan om zo’n compromis mogelijk te maken ? Dat is een structurele verandering in de manier waarop staatshervormingen tot stand kunnen komen.”

“Een tweede moeilijk punt is dat het draagvlak voor een staatshervorming sterk afgenomen is. Er is een tijd geweest waarin de N-VA separatistisch – of minstens confederalistisch – was. CD&V zat ook op die lijn. Alexander De Croo heeft als voorzitter van Open Vld zijn partij zelfs een tijd als confederaal gepositioneerd. En ook Vooruit heeft historisch altijd meegewerkt aan staatshervormingen. Er was vroeger een vrij brede groep partijen die ‘staatshervormingsgezind’ en soms expliciet confederaal waren. Maar vandaag zie ik in Vlaanderen veel minder appetijt om nog over een staatshervorming te spreken. Zelfs de N-VA doet dat niet meer. Het Vlaams Belang is eigenlijk de enige partij die een staatshervorming nog expliciet op de agenda zet.”

“Vlaams Belang is eigenlijk de enige partij die een staatshervorming nog expliciet op de agenda zet”

Daarnaast is het niet duidelijk of er een beroep mag worden gedaan op de stemmen van de zogenaamde ‘extreme’ partijen om tot een staatshervorming te komen, zoals we eerder ook al zagen bij de stemming over de afschaffing van de Senaat.

“Een les die we vlak voor de paasvakantie geleerd hebben, is dat het in de Kamer bijzonder moeilijk geworden is om nog een tweederdemeerderheid te vinden. Een en ander heeft te maken met de sterke aanwezigheid van zowel radicaal-linkse als radicaal-rechtse partijen. Ook zij spelen het politieke spel, net zoals de andere partijen. Je bent voor een tweederdemeerderheid vandaag al afhankelijk van een zeer complex samengesteld parlement. Wie weet hoe het landschap er na de verkiezingen van 2029 zal uitzien.”

“Vlaams Belang blijft sterk scoren in de peilingen. De PTB behaalde een zwak resultaat in 2024, maar lijkt opnieuw wat terrein te winnen. De meer radicale partijen zijn geen tijdelijk fenomeen. Ze zijn er om te blijven, zeker op korte termijn. De vraag is dan hoe je nog aan een noodzakelijke meerderheid geraakt. Louter numeriek bekeken zou je eigenlijk akkoorden moeten sluiten met de radicale partijen. Maar dat botst meteen op politieke taboes: met de PVDA-PTB wil een deel van het politieke spectrum niet samenwerken en met het Vlaams Belang een ander deel niet. Daardoor zit je vast. Je hebt aan de ene kant de ambitie – bij sommigen in de politiek, maar ook in academische en journalistieke kringen – om tot een nieuwe staatshervorming te komen, eventueel richting confederalisme. Maar aan de andere kant heb je partijen die niet willen meedoen, een gebrek aan financiële middelen om compromissen te sluiten en coalitiepartners die er niet wakker van liggen. Als je die tweederdemeerderheid niet haalt, wat blijft er vandaag dan nog over van de confederale droom van de N-VA ?”

“N-VA kan als partij van de premier haar confederale droom vandaag niet zomaar opnieuw beginnen op te warmen”

art. 1 Statuten N-VA

Leeft dat besef ook al bij de N-VA ?

“Ik denk dat de N-VA zich dat ook wel al begint te realiseren. Je kan die confederale droom vandaag niet zomaar opnieuw beginnen op te warmen. De Wever is nu premier en positioneert zich – in theorie toch – als iemand die voor twee legislaturen wil gaan. Hij wil bovendien ook Franstalig België overtuigen. In die context kan hij moeilijk jaren op voorhand opnieuw volop inzetten op confederalisme. Vroeger gebeurde dat wel. Toen bouwde de politiek geleidelijk op naar een staatshervorming. Het publiek werd jaren op voorhand warm gemaakt. Vandaag zie je dat veel minder. Daarom betwijfel ik of er op korte termijn veel ruimte zal zijn om dat debat opnieuw op gang te trekken.”

foto’s (c) Gazet van Hove.