door Julien Borremans in ’t Pallieterke .

Voor de zevende keer op rij dalen de PISA-resultaten. In vergelijking met 2003 heeft de Vlaamse leerling een achterstand van anderhalf jaar opgelopen. De cijfers zijn ronduit alarmerend. Vooral in het beroepsonderwijs (bso) voltrekt zich een drama. Driekwart van de leerlingen is functioneel analfabeet en kan onvoldoende lezen en schrijven.

Opvallend is dat niet alleen kwetsbare jongeren achteruitgaan. Ook bij de sterke leerlingen is de terugval groot. Een bso-leerkracht verwoordde het in De Standaard als volgt : “Elk jaar krijg ik jongeren binnen die na hun twaalfde in België zijn aangekomen zonder ooit een school vanbinnen te hebben gezien, en die in hun eigen taal al niet konden lezen.”

als je in je eigen taal al niet kan lezen …

De cijfers

De evolutie in Vlaanderen is bijzonder verontrustend. Het aandeel toppresteerders voor lezen is tegenover 2009 met de helft verminderd. Tegelijk verdubbelt het aandeel laagpresteerders. Bijna drie op de tien leerlingen zijn volgens PISA onvoldoende leesvaardig om volwaardig te kunnen participeren in de hedendaagse samenleving. In Nederland bedraagt dat aandeel 40 procent. Meer dan een derde van de Vlaamse jongens beschikt bovendien niet over de leesvaardigheid die PISA noodzakelijk acht voor volwaardige maatschappelijke participatie. Voor wiskunde zien we dezelfde trend.

Vlaanderen presteert nog steeds boven het OESO-gemiddelde, maar het verschil met Franstalig België wordt editie na editie kleiner. West-Europese landen zakken steeds verder weg, soms zelfs onder het EU-gemiddelde. De eerste zes plaatsen in de drie PISA-disciplines worden ingenomen door Aziatische landen.

Taal en migratie

De thuistaalkloof is in Vlaanderen groot. Voor wetenschappen, lezen en wiskunde haalt meer dan vier op de tien leerlingen met een andere thuistaal het basisniveau niet. Voor lezen loopt dat aandeel op tot de helft. Dat verschil kan niet volledig door de sociaaleconomische situatie worden verklaard.

Voor leerlingen met een migratieachtergrond liggen de resultaten nog slechter. Bij de tweede generatie verkleint de kloof enigszins, maar niet significant.

De impact van immigratie kan daarom niet langer worden genegeerd. PISA-gegevens tonen herhaaldelijk aan dat leerlingen met buitenlandse ouders gemiddeld significant lager scoren dan leerlingen met autochtone ouders. De sociaaleconomische achtergrond verklaart een deel van dat verschil, maar niet alles. Immigratie versterkt de bestaande problemen en draagt bij aan de daling van het algemene niveau. Die realiteit negeren uit angst voor een taboe helpt noch de betrokken leerlingen, noch het onderwijs.

Leerlingen in het bso, dbso, duaal leren en buso presteren dramatisch slecht. Een ruime meerderheid haalt er voor wetenschappen, lezen en wiskunde het basisniveau niet. Toppresteerders zijn er nauwelijks.

Een kind kan in Vlaanderen op twaalfjarige leeftijd naar 1B, ook wanneer het slechts tot het vierde leerjaar is geraakt en leest op het niveau van het tweede leerjaar. Blijven zitten is er in de praktijk nauwelijks mogelijk : wie veertien is, mag naar 2B, ongeacht wat er op het rapport staat. Wie vijftien is, stroomt op leeftijd door naar het derde jaar.

Een ontspoorde pedagogiek

Ook de lerarenopleiding vormt een groot probleem. Ze is te ideologisch en te ver verwijderd geraakt van wetenschappelijke inzichten over leren. Decennialang kregen de pedagogische theorieën van Rousseau voorrang : de leerling moest centraal staan, terwijl kennisoverdracht als te burgerlijk werd beschouwd. De strijd tegen sociale ongelijkheid werd belangrijker dan het systematisch opbouwen van kennis.

Leraren die binnen dat kader zijn opgeleid, hebben om ideologische redenen moeite om hun pedagogische praktijk kritisch onder de loep te nemen. Zo ontstaat een cumulatief effect van gebrekkige kennisoverdracht.

De voorbije decennia volgden de onderwijsmodetrends elkaar op. In de jaren zeventig deed het geëngageerde onderwijs zijn intrede. Daarna kwam het welbevinden centraal te staan en werd de leerkracht steeds meer coach en zorgverlener. Vervolgens werd de leerling een klant van het schoolbedrijf, waar presteren centraal kwam te staan. Geen van die verschuivingen heeft de neerwaartse trend kunnen keren.

Terug naar wat werkt

Het menselijk brein functioneert nog steeds zoals honderdduizenden jaren geleden. Het beschikt over een kortetermijn-, een langetermijn- en een werkgeheugen. Kennisopbouw begint daarom met aandacht, voldoende voorkennis, duidelijke instructie, herhaling en toepassing. Cognitieve leerpsychologen bouwen daarop voort. De aanpak die Demir verdedigt, is wetenschappelijk onderbouwd.

Deze aanpak veronderstelt ook dat taalachterstand prioritair wordt aangepakt. Automatiseren, kennis inoefenen en vaardigheden herhalen zijn cruciaal. De leerkracht moet opnieuw een expert en rolmodel zijn die de leerstof beheerst en helder kan overbrengen. Differentiatie heeft daarentegen vaak slechts een beperkt effect en haalt het niveau doorgaans naar beneden.

Gewezen minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) formuleerde in 2022 dertien speerpunten om de onderwijskwaliteit te verbeteren, gebaseerd op een rapport van de Onafhankelijke Commissie Beter Onderwijs. Maar het kan een halve generatie duren voordat die maatregelen in de klaspraktijk daadwerkelijk vruchten afwerpen. Dat is pijnlijk lang omdat de N-VA al acht jaar het departement Onderwijs in handen heeft en er nog steeds geen structurele ommekeer zichtbaar is.

Tegen de achtergrond van de toenemende massamigratie en de proletarisering van de onderste lagen van de samenleving is dat bijzonder verontrustend. Het onderwijs heeft geen behoefte aan nieuwe slogans, maar aan kennis, orde, hoge standaarden, voldoende lestijd en discipline. Zonder die terugkeer naar de basis zal de degradatie zich voortzetten.

foto’s (c) Gazet van Hove.