NIEUWS – door Luckas Vander Taelen – www.doorbraak.be .

ls de woorden van Dilliès over tweetaligheid echt zijn overtuiging vertolken, dan valt hij volledig door de mand en is hij ongeschikt om het Hoofdstedelijk Gewest te leiden. foto (c) Wikimedia Commons.
In een zomerinterview laat de Brusselse minister-president Boris Dilliès de achterkant van zijn tong zien. Wat hij zegt over tweetaligheid is niet minder dan schokkend…
Boris Dilliès heeft een deel van zijn vakantie doorgebracht in eigen land, meer bepaald in Spa. Om zijn Nederlands bij te spijkeren. Dat was meer dan nodig, want bij het begin van zijn mandaat bleek zijn kennis van de andere landstaal zich te beperken tot drie woorden : ‘We zullen zien !’ Nu zullen we snel kunnen horen of de intensieve cursussen iets opgebracht hebben.
Het blijft merkwaardig dat de formateur van de Brusselse regering, MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez er geen graten in zag dat zijn keuze voor het belangrijkste politiek mandaat het Nederlands niet machtig was. Al even merkwaardig is dat Boris Dilliès acht jaar aan het hoofd stond van Ukkel, een gemeente in het tweetalige gewest Brussel en in die functie naar eigen zeggen nooit Nederlands gepraat had. Hem is ook nog niet gevraagd waarom hij toeliet dat bijna 80 procent van het gemeentepersoneel niet tweetalig is, een flagrante overtreding van de taalwetten. Dura lex, sed lex, maar dat geldt niet voor de Franstaligen blijkbaar…
Maar nu is Dilliès er zich van bewust dat hij als minister-president van het tweetalige Hoofdstedelijke Gewest ook Nederlands moet kunnen spreken. Het siert hem dat hij daarvoor een paar dagen van zijn welverdiende vakantie opofferde.

Zomerinterview
Maar in een zomerinterview met de krant La Dernière Heure komt Dilliès wel heel vreemd uit de hoek. Op de vraag of hij verwacht dat alle Brusselaars zijn voorbeeld zouden volgen en tweetalig worden, antwoordt hij dat dit wel vanzelfsprekend is in zijn functie, maar niet voor de modale, werkloze Brusselaar: ‘Beweren dat wie geen werk heeft, perfect tweetalig moeten zijn, c’est du flan, dat is onzin.’ Voor wie werk wil vinden, heeft Dilliès de oplossing: een goede vorming volgen en met zijn handen leren werken. ‘Voor een jonge werkloze is dat veel belangrijker dan het beheersen van de twee talen.’
‘Beweren dat wie geen werk heeft, perfect tweetalig moeten zijn, c’est du flan, dat is onzin’, vindt Dilliès.
Dat is een onbegrijpelijke uitspraak vanwege een minister-president die blijkbaar nog niet begrepen heeft dat meertaligheid de kansen op het vinden van een job aanzienlijk vergroot. En vooral vernederend voor jonge Brusselse werklozen die net via meertaligheid uit hun sociaal isolement zouden kunnen komen.
Dilliès wil nu dus wel Nederlands studeren omdat hij geacht wordt die taal te spreken in zijn politieke functie, maar jonge Brusselaars leren maar beter een ‘echt’ beroep en met hun handen werken.
Zo zijn we terug bij af. In de tijden dat het FDF Brussel domineerde, werd er vanuit een Franstalig superioriteitsgevoel neergekeken op het Nederlands. Het spreken ervan werd afgeleerd in de scholen. Zorg dat uw kinderen goed Frans spreken, kregen Nederlandstalige ouders te horen, zo vinden ze zeker werk.

Philippe Close
Dilliès doet die kwalijke uitspraken op een moment dat Philippe Close, PS-burgemeester van Brussel-stad net het tegenovergestelde zei. Er wordt een nieuwe Nederlandstalige school voor 800 leerlingen geopend bij Tours en Taxis. Volgens Close leidt meertaligheid naar grotere kansen op de arbeidsmarkt. Een totaal andere opvatting dan die van Dilliès, vanwege een Franstalige die zich op korte tijd de andere landstaal zeer goed meester heeft gemaakt.
Misschien past Dilliès zijn discours wel aan naargelang wie hem interviewt en zou hij tegenover een Vlaamse journalist wat genuanceerder zijn. La Dernière Heure heeft niet bepaald veel sympathie voor Nederlandstaligen. Onlangs kon PS’er Ridouane Chahid in deze ‘populaire’ krant uithalen naar de eentalige verkeersborden op de Brusselse Ring, volgens hem ‘een enorme vernedering voor de Franstaligen’.
Misschien is Boris Dilliès toch niet helemaal weg uit zijn Ukkelse cocon.
Maar als de woorden van Dilliès over tweetaligheid echt zijn overtuiging vertolken, dan valt hij wel volledig door de mand en is hij ongeschikt om het Hoofdstedelijk Gewest te leiden. Een minister-president moet een visie hebben over het enorme probleem dat de jeugdwerkloosheid in Brussel is. Zeggen dat die jongeren geen talen moeten leren maar eerder een praktische opleiding volgen, getuigt van een achterhaalde paternalistische en franskiljonse overtuiging. Misschien is Boris Dilliès toch niet helemaal weg uit zijn Ukkelse cocon.
De minister-president zegt aan het einde van zijn interview dat kritiek vaak ‘Brussel-bashing’ is. En hij voegt daar aan toe: ‘We kennen dat, die valt niet zomaar uit de hemel’. Anders gezegd: we weten van waar dat komt. Daarmee spuit hij nog wat communautair gif naar de Vlamingen. Die gênante reflex heeft hij blijkbaar niet afgeleerd in het verre Spa…

Luckas Vander Taelen (1958) is journalist.
foto’s (c) Gazet van Hove.

