NIEUWS – door Vanille Dujardin – www.doorbraak.be .

Bestand:MQ-9 Reaper in vlucht (2007).jpg
drone MQ9 – Reaper / foto (c) Wikimedia Commons/Amerikaanse luchtmacht

Ook België investeert in drones, maar verwaarloost gelukkig ook de traditionele capaciteiten niet.

Militair historicus Tom Simoens waarschuwt dat Europa de verkeerde lessen dreigt te trekken uit de oorlog in Oekraïne. Want terwijl drones en nieuwe technologie alle aandacht opeisen, blijven oude militaire principes overeind. Wat betekent dat voor de Belgische Defensie, onze bewapening en de mogelijke terugkeer van de dienstplicht ?

Meer dan vier jaar na de Russische invasie van Oekraïne lijkt oorlogvoering een technologische revolutie te ondergaan : drones beheersen het slagveld, artificiële intelligentie doet haar intrede en militaire innovaties volgen elkaar in hoog tempo op. Toch ziet militair historicus Tom Simoens vooral opvallende gelijkenissen met het verleden. In zijn nieuwe boek De mythe van de nieuwe oorlog toont de professor aan de Koninklijke Militaire School hoe vertrouwd de uitdagingen van de moderne oorlogsvoering eigenlijk zijn.

Waarom wilde u dit boek schrijven ?

Tom Simoens : Het was vooral verwondering, soms zelfs verbijstering, over de vragen die ik naar aanleiding van de oorlog in Oekraïne kreeg. Mensen vroegen me of het werkelijk mogelijk was dat de Russen een stad met artillerie zouden verwoesten, of dat de oorlog nog jaren zou duren. Natuurlijk is dat mogelijk. We hebben dat in de geschiedenis allemaal al meegemaakt.

Nu ontdekken we opnieuw wat vroeger heel gewoon was.

Daarnaast wordt er nogal chaotisch lessen getrokken uit de oorlog. Drones zijn belangrijk, dus koopt iedereen veel drones. Maar ga je er dan van uit dat de volgende oorlog op die in Oekraïne zal lijken ? Dat die jarenlang zal duren en honderdduizenden slachtoffers zal maken ? Als dat je uitgangspunt is, moet je ook je volledige militaire doctrine durven herbekijken. We zijn in het Westen eigenlijk vergeten hoe we met klassieke, langdurige oorlogen moeten omgaan. In de voorbije 35 à 40 jaar zijn we dat besef grotendeels kwijtgeraakt. Nu ontdekken we opnieuw wat vroeger heel gewoon was.

Vandaar de titel De mythe van de nieuwe oorlog. Wat is er volgens u dan zo weinig nieuw aan de oorlog in Oekraïne ?

Natuurlijk zijn er nieuwe aspecten. De duizenden tactische drones die dagelijks worden ingezet en de enorme hoeveelheid beeldmateriaal die daardoor beschikbaar is, zijn ongezien. Maar de gevolgen zijn niet noodzakelijk nieuw. Die drones hebben mee geleid tot een patstelling aan het front, dat nauwelijks nog beweegt. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zorgden vooral artillerie en mitrailleurs ervoor dat het front vastliep, vandaag spelen drones en artillerie die rol. De middelen zijn veranderd, maar de onderliggende militaire logica is vergelijkbaar. Mijn bezorgdheid is dat sommigen vandaag beweren dat alles anders is geworden en dat we onze legers volledig opnieuw moeten opbouwen. Als historicus vind ik dat gevaarlijk. We mogen niet zomaar alles wat we uit het verleden kennen overboord gooien.

soldaten aan het front tijdens WOI

Zijn we dan te veel verblind door drones en nieuwe technologie ?

Dat denk ik wel. Je mag daarbij ook de commerciële logica niet onderschatten. Er zijn bedrijven die er alle belang bij hebben om het belang van nieuwe technologieën sterk in de verf te zetten. Ik twijfel er bovendien aan of drones in een volgend conflict meteen even doorslaggevend zullen zijn. Vandaag werken droneoperatoren aan het Oekraïense front in zekere zin volgens een routine : ze gaan naar hun positie, voeren hun opdrachten uit en worden afgelost. In die omstandigheden werken drones bijzonder goed. Maar ik wil wel eens zien wat er gebeurt wanneer een front echt in beweging komt. Dan hebben drones niet noodzakelijk dezelfde slagkracht als bijvoorbeeld artillerie.

Dat betekent niet dat drones zullen verdwijnen. Integendeel. Alleen geloof ik niet dat we toekomstige oorlogen uitsluitend met drones zullen kunnen voeren. Het blijven nieuwe middelen die we moeten integreren in wat we al kennen, maar ze maken niet plots alle andere wapensystemen overbodig.

U begint uw boek met een opvallende bekentenis : vóór de invasie was u ervan overtuigd dat Vladimir Poetin Oekraïne niet zou binnenvallen. Waarom zat u ernaast ?

Om twee redenen. Ten eerste volgde ik de situatie toen onvoldoende. Ik kende niet alle indicatoren die op rood stonden. Vandaag volg ik open bronnen veel intensiever. Maar mijn tweede fout vind ik nog belangrijker : we gaan er te vaak van uit dat Russen denken zoals wij.

We gaan er te vaak van uit dat Russen denken zoals wij.

Daarmee zeg ik niet dat hun redeneringen irrationeel zijn, maar ze vertrekken vanuit een andere logica en een andere mentaliteit. Wij zijn in het Westen heel oorlogs-avers geworden. We huiveren bij de gedachte dat mensen zouden sneuvelen, dat infrastructuur vernietigd wordt of dat we nog meer geld aan defensie moeten uitgeven. Daardoor zijn we geneigd bepaalde scenario’s gewoon weg te denken. Dat was ook mijn fout. We konden ons moeilijk voorstellen dat Rusland zo’n oorlog zou beginnen, omdat wij dat vanuit ons eigen wereldbeeld onlogisch vonden. Maar dat betekent niet dat de Russische leiders dezelfde afweging maken.

veel Russen hebben heimwee naar de Sovjet-Unie …

U volgt de oorlog inmiddels al meer dan vier jaar intensief. Wat heeft u in die periode het meest getroffen ?

Dat de oorlog na het eerste jaar eigenlijk vrij voorspelbaar is geworden. Zeker sinds de zomer van 2023, toen het Oekraïense tegenoffensief nauwelijks vooruitgang boekte, had ik het gevoel dat dit nog heel lang zou duren. Daar komt bij dat de Russische minimumdoelstellingen volgens mij gedurende die hele periode niet wezenlijk veranderd zijn. En die liggen bijzonder ver van wat Oekraïne maximaal bereid is te aanvaarden. De kloof tussen beide partijen is dus enorm.

Militair zit de situatie grotendeels vast. Dan wordt ook de economische dimensie belangrijk. Als je kijkt naar de landen die Oekraïne steunen, dan heeft het Westen in principe voldoende economisch gewicht om Rusland te overtreffen, maar dan moet die steun wel voldoende groot zijn en vooral blijven duren. Rusland krijgt op zijn beurt steun van andere landen. Dat zorgt voor een ingewikkelde puzzel, waarvan de afloop moeilijk te voorspellen is.

U beschrijft de oorlog ook als geschiedenis die zich voor onze ogen afspeelt. Wat bedoelt u daarmee ?

Als je documenten uit 1915 leest, zie je hoe militaire leiders tijdens de Eerste Wereldoorlog voortdurend overtuigd waren dat het volgende offensief succesvol zou zijn. Dat optimisme zagen we ook bij de Oekraïners tijdens hun tegenoffensief in 2023 en later bij de Russen. Telkens klinkt het dat de tegenstander op het punt staat te breken. Dat soort redeneringen is helemaal niet nieuw.

Wat deze oorlog voor een historicus bijzonder maakt, is dat we zoveel rechtstreeks kunnen volgen. Het geweld, de chaos op het slagveld, de reacties van de bevolking: we krijgen er voortdurend beelden en informatie over. Ik wil absoluut niet de indruk wekken dat ik mij amuseer met die oorlog. Ik hoop vooral voor de Oekraïners dat hij zo snel mogelijk stopt. Maar intellectueel is het bijzonder interessant om te zien hoe processen die we uit de geschiedenis kennen zich vandaag opnieuw afspelen.

Als zoveel historische kennis beschikbaar is, waarom blijven legers dan dezelfde fouten maken ?

Omdat het niet altijd zo eenvoudig is om achteraf van fouten te spreken. Met de kennis van vandaag is het gemakkelijk om te zeggen dat een militaire operatie geen kans op slagen had. Maar in de geschiedenis zijn er heel wat risicovolle operaties geweest die uiteindelijk wel succesvol waren. Denk aan de Duitse campagne van mei 1940 of bepaalde Amerikaanse operaties in Irak. Soms is het verschil tussen een magistrale overwinning en een gigantische strategische nederlaag bijzonder klein. Dat kan afhangen van verkeerde inlichtingen, een onverwachte reactie van de vijand of een ogenschijnlijk onbelangrijk incident.

In uw boek verwijst u daarvoor naar het begrip ‘frictie’. Wat houdt dat precies in ?

Je kunt een perfect militair plan hebben, maar als iemand het eerste schot een halfuur te vroeg lost, is het verrassingseffect misschien volledig verdwenen. Dan is de vijand gewaarschuwd en valt je plan in duigen. Een mooi historisch voorbeeld komt uit mei 1940. Een Belgische eenheid van de Ardense Jagers kreeg door omstandigheden haar terugtrekkingsbevel niet en bleef daardoor op haar positie. Die soldaten boden hardnekkig weerstand en hielden de Duitse opmars urenlang tegen. Stel dat zoiets op vijf verschillende plaatsen was gebeurd, dan had de campagne misschien een heel ander verloop gekend. Dat illustreert hoe complex oorlogsvoering is. Je kunt niet zomaar een tijdschema opstellen en ervan uitgaan dat alles volgens plan zal verlopen.

Zijn westerse legers volgens u voldoende voorbereid op dat soort onverwachte gebeurtenissen ?

Ik denk dat we in het Westen heel goed zijn geworden in het plannen van de initiële aanval. Maar wat gebeurt er wanneer die aanval mislukt ? Dan moet je kunnen improviseren. Je moet reserves inzetten, je plannen aanpassen en snel oplossingen bedenken die misschien niet in het oorspronkelijke draaiboek stonden. De vraag is of we daar voldoende op trainen. Een aantal jaren geleden kreeg ik daarover signalen dat dit niet altijd het geval was. Dat is iets waar we aandacht voor moeten hebben.

Als zelfs de beste militaire plannen kunnen mislukken, hoe moeten Europese legers zich dan op de toekomst voorbereiden ? We verhogen onze defensiebudgetten aanzienlijk, maar investeren we wel in de juiste zaken ?

Ik denk dat er al een aantal noodzakelijke stappen worden gezet. Kijk bijvoorbeeld naar de Belgische Defensie. We hebben drie grote bewapeningsprogramma’s lopen : de F-35 voor de luchtmacht, de fregatten voor de marine en het CaMo-project met de Franse voertuigen en de bijbehorende doctrine. Die programma’s zijn allemaal gestart vóór de oorlog in Oekraïne en lopen gewoon verder. Het Belgische leger heeft dus niet plots beslist dat die investeringen geen zin meer hebben omdat er een nieuwe manier van oorlogsvoeren zou zijn ontstaan.

Tegelijk zie je in het aankoopbeleid wel een verschuiving richting drones. Dat lijkt mij de juiste aanpak : nieuwe capaciteiten integreren in bestaande systemen. Het gaat om evolutie, niet om revolutie. Bij een echte revolutie zou je zeggen dat we niets meer met die F-35’s of Franse voertuigen kunnen aanvangen en dat alles anders moet. Dat is niet wat er vandaag gebeurt.

oorlog 1940-1945

Maar zijn zulke dure wapensystemen nog wel verantwoord nu relatief goedkope drones op het slagveld zo’n belangrijke rol spelen ?

Je hebt beide nodig : goedkope massa in combinatie met hoogtechnologische precisiewapens. We kopen bijvoorbeeld ook opnieuw zware artilleriesystemen en bouwen onze voorraden weer op. Dat lijkt mij een goede zaak.

Je hebt beide nodig : goedkope massa in combinatie met hoogtechnologische precisiewapens.

Het probleem is dat we in Europa jarenlang bijzonder veel domeinen hebben verwaarloosd. Luchtverdediging, pantservoertuigen, artillerie en munitievoorraden : in heel wat landen waren de tekorten enorm. Die achterstand moeten we nu inhalen. Als je een munitievoorraad van nul naar bijvoorbeeld 500.000 projectielen wilt brengen, kost dat ontzettend veel tijd en geld. Ik vind het dus coherent dat we enerzijds verder investeren in de klassieke capaciteiten en anderzijds nieuwe technologieën integreren. Dat er veel geld naartoe gaat, lijkt mij onvermijdelijk. We hebben te veel verwaarloosd.

U benadrukt dat we opnieuw rekening moeten houden met een langdurige uitputtingsoorlog. Is de Belgische Defensie daar vandaag voldoende op voorbereid ?

Dat is een vraag waarop ik het antwoord schuldig moet blijven. Het is niet aan mij om daar een beoordeling over te geven. Ik ben een historicus en probeer soms, vanuit het verleden, naar de toekomst te kijken. Maar het heden laat ik met plezier over aan mijn collega’s bij Defensie.

In uw boek haalt u ook de mogelijke terugkeer van de dienstplicht aan. Moeten we die volgens u opnieuw invoeren ?

Ik vermeld dat vooral om aan te tonen dat we consequent moeten nadenken over de toekomst van onze strijdkrachten. Als we ervan uitgaan dat de volgende oorlog zal lijken op die in Oekraïne, dan zullen we enorm veel mensen nodig hebben. In dat geval moet je tijdig beginnen nadenken over een dienstplicht. Maar of dat haalbaar of wenselijk is, is een andere vraag. Voor wie zou die gelden ? Hoelang zou ze duren ? Hoe betaal je die mensen ? Dat zijn maatschappelijke en politieke keuzes.

En opgelet, ik zeg niet dat de volgende oorlog noodzakelijk op die in Oekraïne zal lijken. Dat denk ik zelfs niet per se. Maar als je ervan uitgaat dat de volgende oorlog een langdurige uitputtingsoorlog wordt, begrijp ik niet goed waarom je geen dienstplicht zou invoeren. Je moet consequent zijn in de lessen die je trekt.

Als u vandaag volledig vrij mocht adviseren over de toekomst van de Belgische Defensie, wat zou u dan veranderen ?

Ik zou voorzichtig zijn met heel concrete aanbevelingen, omdat mijn eigen operationele ervaring inmiddels twintig jaar oud is. Ik zou eerst opnieuw willen zien hoe er vandaag wordt getraind. Tijdens mijn eigen militaire loopbaan heb ik oefeningen meegemaakt die bijzonder onrealistisch waren : er vielen nooit verliezen en er werd nooit een voertuig uitgeschakeld. Soms botste je bijna letterlijk op de vijand, zwaaide je bij wijze van spreken naar elkaar en reed je verder. Daar zou je in Oekraïne natuurlijk niets aan hebben. Maar ik weet niet of dat vandaag nog altijd zo gebeurt.

Wat ik wel zou doen, is ervoor zorgen dat we voldoende materieel hebben en voorbereid zijn op een plan B. We beschikken over hoogtechnologische systemen, maar we mogen niet vergeten dat ook ouder materieel nuttig kan zijn. In Oekraïne werden bijvoorbeeld nog machinegeweren gebruikt waarvan het ontwerp teruggaat tot de Eerste Wereldoorlog. Ook oudere artilleriestukken blijken soms bijzonder bruikbaar. Ze zijn eenvoudiger te verbergen en kunnen in bepaalde omstandigheden voordelen bieden die modernere systemen niet hebben. Ik zou dus ook voorzichtig zijn met het zomaar verkopen of afstoten van oud materieel. Als het nog werkt, kan het in een langdurige oorlog misschien opnieuw van pas komen.

Is dat uiteindelijk de belangrijkste les : dat we minder volgens het boekje moeten denken ?

Ik zou vooral inzetten op goed opgeleide militairen die tactisch sterk zijn en begrijpen waarom bepaalde procedures bestaan. Mensen die niet gewoon een handboek volgen, maar ook oudere oplossingen kennen en creatief kunnen nadenken. Je moet kunnen zeggen : deze tactiek werkt hier niet, dus laten we iets anders proberen. Misschien moeten we eens buiten de platgetreden paden gaan en kijken wat dat oplevert. Die creativiteit en dat vermogen om je aan te passen, zijn volgens mij bijzonder belangrijk.

Je hebt doctrines en vaste procedures nodig, maar daarbovenop moet je ook de vrijheid en het inzicht hebben om ervan af te wijken wanneer de omstandigheden daarom vragen. We spreken tenslotte van krijgskunst : een goede chef is iemand die oorlog begrijpt. Dat is uiteindelijk een van de grote lessen uit de oorlog in Oekraïne. Niet dat we alles wat we vroeger kenden moeten weggooien, maar dat we moeten blijven leren en ons voortdurend moeten aanpassen.

Vanille Dujardin is zelfstandig journalist en schrijft al drie jaar voor diverse Belgische kranten, weekbladen en websites. Haar scherpe pen en nieuwsgierige blik focussen zich vaak op politiek en maatschappelijke thema’s. Sinds 2025 werkt ze voor Doorbraak, waar ze haar passie voor politiek en journalistiek ten volle inzet.

foto’s (c) Gazet van Hove.