Bestaat die eigenlijk wel ?
Bestaat de VRT als ‘rode burcht’ en heeft ze ooit bestaan. De intrede van Jan Becaus doet Paul Muys terugkijken en hij ziet die rode VRT niet.
Toen gepensioneerd VRT-nieuwsanker Jan Becaus onlangs politiek kleur bekende en gecoöpteerd N-VA-senator werd, hoorde je heel wat reacties van het genre : hoezo ‘linkse VRT’ ? En inderdaad, een Dirk Sterckx ging naar de Open VLD, Ivo Belet vond onderdak bij de christendemocraten en de EVP en Afrikakenner Peter Verlinden blijkt een Volksunieverleden te hebben. En er waren er anderen, zelden van linkse signatuur.
Het is van wijlen Tuur van Wallendael (sp.a-parlementslid en Antwerps schepen) geleden dat iemand binnen de VRT zich nog eens tot de sociaaldemocratie bekende. Dat de sp.a sterk aan electorale aantrekkingskracht heeft ingeboet zal daar wel mee te maken hebben. Sommigen doen die stap naar de politiek af als opportunisme, als postjespakkerij. Maar je kan het ook zien als het aangrijpen van een geboden kans om de politiek eens mee te maken van binnenuit. Zelf heb ik die kans ook wel eens gehad, en achteraf bekeken had ik ze misschien beter aangegrepen.
In de tweeëntwintig jaar dat ik als journalist werkte bij de ‘rode staatsomroep’, hadden verreweg de meeste collega’s geen partijkaart. Dat was ook niet nodig, want de beruchte journalistenexamens van de toenmalige BRT leverden te weinig geschikte kandidaten op, zodat niet nog eens extra op basis van Partei-Angehörigkeit kon worden geselecteerd. Ideologische voorkeur (lidmaatschap van repectievelijk het Davids- of Willemsfonds was voor de christendemocraten en de liberalen al voldoende, de socialisten waren veeleisender) speelde wel een rol voor wie toen in de hiërarchie wilde opklimmen.

En dan de mensen die wél kleur bekenden ? Jan Ceuleers, Lucien Boussé, Kris Borms en nog anderen waren leden van de BSP. Voor alle duidelijkheid : dat was natuurlijk hun goed recht. Maar wat betekende dat in de praktijk ? Zeker niet dat ze die partij extra ter wille waren en het nieuws uit socialistische hoek meer aandacht schonken dan nodig. Wel integendeel : ze zouden er werkelijk álles aan gedaan hebben om dat verwijt niet te verdienen. Idem dito voor de aanhangers van het christendemocratisch gedachtengoed (Cas Goossens, Karel Hemmerechts, Julien Peeters) en de enkelingen die zich tot het liberalisme bekenden (zoals Piet Van Roe). Ik vond dat deze mensen het ideaal van de absolute objectiviteit sterk benaderden.
Het bittere antagonisme van de schoolstrijd behoorde inmiddels tot het verleden. De partijen verwachtten ook niet dat ze daar aan de Reyerslaan konden beschikken over gewillige dienaren die zonder meer op hun wenken ingingen.

Ondertussen geeft iedereen toe dat absolute objectiviteit een onbereikbaar ideaal is en dat het veel zinvoller is eerlijke verslaggeving te verlangen. Voor het overige : door de veelheid van meningen die bij de publieke omroep te beluisteren zijn, komt die toch al aardig in de buurt van die verlangde objectiviteit.
De tijd staat niet stil. De traditionele ideologische zuilen zijn vrijwel verdwenen. De traditionele partijen hebben hun greep op de omroep moeten lossen. Eén van de voordelen van het doorbreken van het omroepmonopolie vind ik dat de goegemeente nu kan waarnemen dat de VTM net zo rood, blauw, groen of geel is als de publieke omroep. Kritiek over radio en televisie heeft tegenwoordig vooral te maken met de intrinsieke kwaliteiten van de programma’s (of het gebrek daaraan), maar dat heeft geen kleur.
Paul Muys is oud-VRT-journalist. www.doorbraak.be .
Foto’s (c) VRT – deredactie.be .

