door Angélique Vanderstraeten in ’t Pallieterke .

Bij ongewijzigd beleid dreigt het Belgische begrotingstekort in 2029 op te lopen tot meer dan 6 procent van het bbp of 36 miljard euro. Het is onvermijdelijk dat de regering-De Wever zich dit najaar vooral over de precaire overheidsfinanciën zal moeten buigen.

Er is één manier om de aandacht af te leiden van de slechte toestand van de Belgische overheidsfinanciën : spreken over hervormingen en daar ook akkoorden over bereiken. Dat is wat de regering-De Wever de voorbije maanden gedaan heeft. De rapporten van de Nationale Bank en het Planbureau zijn nochtans duidelijk : de Belgische begroting is er slecht aan toe. Het tekort bedraagt momenteel 5,4 procent van het bbp of meer dan 30 miljard euro. En bij ongewijzigd beleid loopt dat tekort op tot 35 miljard of meer dan 6 procent van het bbp tegen het einde van de legislatuur.

Eerst hervormen

Wanneer men deze cijfers voorlegt aan de federale excellenties, dan komt het antwoord dat er eerst werk wordt gemaakt van de nodige hervormingen. Op het vlak van arbeidsmarkt, pensioenen en zelfs via besparingen op het federale overheidsapparaat. Deze hervormingen zullen op termijn geld opbrengen. Want meer mensen aan het werk en langere loopbanen zorgen voor groei, minder overheidsuitgaven voor uitkeringen en meer inkomsten via belastingen. Dit is ook het verhaal dat de regering aan de Europese Commissie vertelt en dat daar als dusdanig wordt aanvaard : “Wees niet te streng over het begrotingstekort, alstublieft, want we voeren de nodige hervormingen door.”

“In de jaren 80 moest men lenen… om de intresten af te betalen. Daar zijn we gelukkig nog lang niet”

En ja, eerste minister Bart De Wever (N-VA) en de andere ministers hebben op dat vlak een punt : de hervormingen zullen resultaat hebben. Onder andere de pensioenmalus en de aangepaste ambtenarenpensioenen zorgen ervoor dat de toename van de vergrijzingskosten tegen 2070 gehalveerd wordt. Dat is naar Belgische normen een succes te noemen : de uitgaven stijgen, maar minder snel dan gevreesd. En daarvoor verdient de regering een pluim.

Na de meerwaardebelasting is de begroting een grote uitdaging voor De Wever

Maar kijk naar het jaartal in de projectie : 2070. Dat is over 45 jaar. Dat is dezelfde projectie ten opzichte van vandaag als diegene die indertijd gemaakt werd toen België in 1982 zwaar moest beginnen saneren.

Paardenmiddel

Toen koos men voor het paardenmiddel van de devaluatie en de indexsprongen. De sanering van de begroting bedroeg toen jaarlijks 1 procent van het bbp en dat zes jaar aan een stuk. In de jaren ’90 werd onder Jean-Luc Dehaene zes jaar lang 0,7 procent van het bbp gesaneerd. Zo’n ingrepen zien we nu nog niet en zijn enkel mogelijk als er naast de hervormingen in de pensioenen en de arbeidsmarkt ook op de begroting wordt gewerkt. Door onder andere te besparen op de uitgaven.

De vergelijking hierboven toont aan dat de regering-De Wever er inderdaad niet zal geraken door enkel te verwijzen naar het hervormingsbeleid. Er is meer nodig, ook al omdat economen waarschuwen voor te veel optimisme rond de terugverdieneffecten. Het gevolg is dat het dit najaar inderdaad vooral of bijna enkel over de begroting zal gaan in de Wetstraat. En dat zal voor de nodige kopbrekers zorgen.

Wetstraat 16, kabinet van de Premier

Ook goed nieuws

Eerst weliswaar wat goed nieuws : volgens economen is gedurende zeven jaar een sanering van 0,5 procent van het bbp nodig. Dat is op zich niet onrealistisch, maar er duiken een aantal hinderpalen op. Ten eerste zal deze sanering meer dan één legislatuur in beslag nemen. De vraag luidt nu al welke partijen in 2029 aan de macht zullen zijn en vooral : hoelang de formatie van een federale regering dan zal duren.

Ten tweede zijn er de geplande extra uitgaven voor defensie. Ook al mag men die miljarden gedurende enige tijd buiten de begroting houden, vroeg of laat zal die rekening ook moeten worden betaald.

soldaten kosten ook geld

Ten derde is er de geplande belastingverlaging van de regering-De Wever. Logisch, gezien de hoge fiscale druk. Maar de vraag is of daar gezien de budgettaire toestand wel marge voor is. Dezelfde vraag kan gesteld worden over de noodzakelijke en wenselijke betrokkenheid van de deelstaten bij de sanering. Willen en kunnen die meewerken aan een gezonde begroting ? Enkel Vlaanderen heeft een echt plan richting begrotingsevenwicht, en zelfs daar plaatsen experts vraagtekens bij.

Nog lang geen rentesneeuwbal

Ten slotte is er het probleem van de oplopende rentelasten. Door het tekort, de stijgende staatsschuld en de wat hogere rentevoeten moet de federale regering daar steeds meer middelen voor vrijmaken. In 2023 bedroegen de intrestlasten 2 procent van het bbp of 12 miljard euro, nu is het 2,5 procent of 15 miljard euro. Tegen 2026 zitten we aan 3,2 procent van het bbp aan intrestkosten. Dat is bijna 20 miljard euro. Dit maakt de overheidsfinanciën zeer kwetsbaar, want er is geen extra beleidsruimte in crisisperiodes. Voor elke 100 euro die de regering ontvangt verdwijnt er 7 euro aan rentelasten.

Wel is er nog geen rentesneeuwbal. In zo’n situatie is de rente op de schuld hoger dan de nominale (inflatie plus reëel) economische groei. In de jaren 80 leidde dit ertoe dat men moest lenen… om de intresten af te betalen. Daar zijn we gelukkig nog lang niet. Laat dit een magere troost zijn voor de ministers die straks in begrotingsconclaaf moeten.

foto’s (c) Gazet van Hove.