
door Julien Borremans in ’t Pallieterke .
Brussel is de hoofdstad van het land, de zetel van Europese en internationale instellingen, en een economische draaischijf. Maar achter die officiële status slaagt de stad er steeds minder in haar inwoners, ondernemers en bezoekers veiligheid, leefbaarheid en perspectief te bieden.
In 2025 verlieten 37.000 Brusselaars het gewest richting Vlaanderen of Wallonië, terwijl slechts 19.000 mensen de omgekeerde beweging maakten. Recente cijfers tonen aan dat de uitstroom eerder toeneemt. Brussel wordt zo steeds meer een doorgangsgewest. Nuttig voor wie er tijdelijk moet zijn, maar minder aantrekkelijk om er een toekomst op te bouwen.
De oorzaken zijn duidelijk zichtbaar. Betaalbare gezinswoningen zijn schaars, de openbare ruimte is in te veel wijken verloederd, mobiliteitsingrepen zorgen voor frustratie, grote infrastructuurwerven slepen aan.
Criminaliteit
Maar het zwaarste probleem is veiligheid. In steeds meer wijken bepalen criminaliteit, drugsoverlast, agressie en straatintimidatie het dagelijkse veiligheidsgevoel van bewoners, handelaars, pendelaars en expats. Een stad waar ouders zich afvragen of hun kinderen veilig naar school kunnen, waar ondernemers kampen met diefstal en vandalisme, en waar internationale werknemers liever elders wonen, tast haar eigen legitimiteit aan.
Die veiligheidscrisis is tegelijk een culturele en sociale crisis. Brussel bestaat steeds meer uit parallelle werelden die zich terugplooien op de eigen wijk, taal of cultuur. Met de ongebreidelde internationalisering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ging een politieke, sociale en culturele desintegratie gepaard. Bijna 40 procent van de inwoners is geen Belg. Slechts 22 procent van de inwoners is Belg zonder migratieachtergrond. Het gewest herbergt 180 nationaliteiten. Cultuur kan verbinden, maar in Brussel blijft ze te vaak hangen in symboliek en subsidies van grote prestigeprojecten.

Armoede
Daarbovenop komt de uitzichtloze armoede. Een derde van de Brusselse bevolking leeft op of onder de armoedegrens. In wijken waar jongeren weinig kansen zien op werk, erkenning of vooruitgang, groeit de aantrekkingskracht van straatcultuur, informele economie en criminaliteit. Armoede verklaart zeker niet alles. Een gewest dat generaties zonder perspectief laat opgroeien, organiseert zijn eigen instabiliteit.
Het Franstalig onderwijs is daarin een cruciale zwakke schakel. In een stad met grote armoede, uitgesproken culturele verschillen en diepe ongelijkheid zou onderwijs de motor van emancipatie moeten zijn, maar het omgekeerde is helaas het geval. Te veel scholen slagen er onvoldoende in om taalachterstand weg te werken, discipline te versterken en jongeren klaar te maken voor hoger onderwijs of de arbeidsmarkt.

Institutioneel kluwen
Ook economisch brandt het alarmsignaal. Een op de drie Brusselse ondernemers overweegt om de stad te verlaten. Zij vertrekken niet zomaar, maar als zij toch afhaken, is dat omdat het vertrouwen in de Brusselse omgeving wegzakt. Minder winstgevendheid, minder klanten en uitgestelde investeringen betekenen minder jobs, minder dynamiek en minder kansen.
Zo ontstaat een gevaarlijke spiraal. Slecht onderwijs leidt tot minder kansen. Minder kansen werken armoede en frustratie in de hand. Frustratie voedt overlast en criminaliteit. Criminaliteit jaagt gezinnen, ondernemers en investeerders weg. Hun vertrek verzwakt het fiscale draagvlak. En daardoor wordt het nog moeilijker om de problemen aan te pakken.
Die spiraal wordt versterkt door bestuurlijke versnippering. Negentien gemeenten, zes politiezones, verschillende gemeenschappen en overlappende bevoegdheden maken van Brussel een institutioneel kluwen. Iedereen is een beetje bevoegd, niemand is volledig verantwoordelijk. Het BHG is niet verloren, maar het gewest leeft steeds meer boven zijn draagkracht. Het heeft economisch potentieel, internationale uitstraling en een jonge bevolking. Helaas weet de gewestelijke regering deze troeven niet uit te spelen.

Wat te doen ?
De vraag is dan wie Brussel nog tot verantwoordelijkheid kan dwingen. Precies daar komt ook Vlaanderen in beeld. Vlaanderen kan daarbij een duw in de rug geven, en dat is ook nodig. Want Vlaanderen ondervindt niet alleen de voordelen van Brussel, maar draagt ook steeds meer de lasten. De instroom vanuit de hoofdstad naar Vlaams-Brabant en de Denderstreek zet steden en gemeenten daar onder toenemende druk.
Tegelijk investeren zowel Vlaanderen als de federale overheid – waar de N-VA de regeringsleiders levert – aanzienlijke middelen in Brussel. Net daarom zou het van goed staatsmanschap getuigen mocht de N-VA mee in de Brusselse Regering stappen om erop toe te zien dat dat geld correct en doelgericht wordt besteed. Toch liet de partij zich tijdens de onderhandelingen opzijzetten, zonder dat daar vanuit het partijhoofdkwartier een krachtige reactie op volgde. Ook bij de zesde staatshervorming kreeg Brussel, in ruil voor de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde, extra middelen, maar werden daar geen structurele hervormingen aan gekoppeld.
Nochtans schoven de Vlaamse partijen tijdens de onderhandelingen voor een Brusselse Regering enkele broodnodige structurele en institutionele hervormingen naar voren. Die werden door de Franstalige partijen echter van tafel geveegd. Brussel aanvaardt wel de vele middelen uit Vlaanderen, maar niet de voorwaarden die daarbij horen. Ook de taalwetten worden in de hoofdstad al decennialang met de voeten getreden. Vlaanderen zou Brussel daarom veel nadrukkelijker op de politieke agenda moeten plaatsen, telkens opnieuw. Maar daar lijkt weinig appetijt voor te bestaan.
Intussen gaat de stille uittocht verder. Een stad waar gezinnen massaal vertrekken en ondernemers afhaken, is geen bruisende metropool meer, maar een provinciestad met grootheidswaan.

foto’s (c) Gazet van Hove .

