NIEUWS – door Jan Fabry – www.doorbraak.be .

De komst van de Amerikaanse extreemlinkse influencer Hasan Piker naar Manifiesta in Oostende kreeg afgelopen weekend een juridische dimensie. Minister van Defensie Theo Francken (N-VA) wees vooraf op het nieuwe Strafwetboek, dat sinds 1 september ook de verheerlijking van terrorisme bestraft. Die bepaling zou volgens hem kunnen worden toegepast als Piker op het festival de terreuraanval van Hamas van 7 oktober 2023 zou verheerlijken.

Francken benadrukte later dat hij ManiFiesta niet wilde verbieden en evenmin opriep om PVDA-politici te vervolgen. De rechterlijke macht moet concrete uitspraken aan de wet toetsen. ‘De wet is de wet’, klonk het. Piker antwoordde op X door Francken een ‘pissboy’ te noemen. Daarmee was de toon gezet, maar de wezenlijke vraag bleef liggen : moet een democratische rechtsstaat de verheerlijking van terrorisme strafbaar stellen ?

Het debat gaat over meer dan Piker, ManiFiesta of de PVDA. De overheid moet burgers beschermen tegen politiek geweld, maar tegelijk hun vrijheid beschermen tegen een overheid die bepaalt welke ideeën nog mogen worden uitgesproken. Wanneer vormt een uitspraak een gevaar ? En wanneer is ze alleen verwerpelijk, provocerend of ronduit walgelijk ?

PVDA aanbidt massamoordenaars

Van geweld naar woorden

Dat iemand niet straffeloos mag oproepen tot een aanslag, roept weinig discussie op. Wie anderen bewust tot geweld aanzet en daarmee een reëel gevaar veroorzaakt, draagt bij aan de voorbereiding ervan. Moeilijker wordt het wanneer de wet ook de verheerlijking bestraft.

Artikel 376 van het nieuwe Strafwetboek viseert wie een terroristisch misdrijf in het openbaar ontkent, op een bijzonder grove manier minimaliseert, probeert te rechtvaardigen of goedkeurt. Daarmee grijpt de strafwet in vóór er sprake hoeft te zijn van een concreet bevel of plan. Niet de terreurdaad, maar woorden over die terreurdaad komen in beeld.

De vrijheid van meningsuiting beschermt niet alleen keurige of breed gedragen ideeën.

Toch is niet iedere radicale uitspraak voortaan strafbaar. Professor mensenrecht aan de KULeuven Sofie Royer wijst op twee bijkomende voorwaarden. De uitspraak moet een ernstig en reëel gevaar scheppen dat een terroristisch misdrijf wordt gepleegd. De spreker moet bovendien de bedoeling hebben dat gevaar te veroorzaken. ‘Die laatste voorwaarde is belangrijk om het onderscheid te maken tussen bijvoorbeeld een grap en verboden haatspraak’, zegt Royer. ‘Dat is soms een dunne grens.’

Precies daar ligt de rechtsfilosofische kern. De vrijheid van meningsuiting beschermt niet alleen keurige of breed gedragen ideeën. Daarvoor is nauwelijks bescherming nodig. Ze krijgt pas betekenis wanneer iemand woorden gebruikt die de meerderheid choqueren of afstoten. Een uitspraak verwerpelijk vinden, volstaat nog niet om haar strafbaar te maken.

de extreem-linkse Baader-Meinhoff-gang

Geen absolute vrijheid

Columnist van De Standaard Joren Vermeersch verdedigt de nieuwe grens. ‘Een absolute vrijheid van meningsuiting heeft nooit bestaan en is dus een fictie’, zegt hij. ‘Er gold al een harde grens : oproepen tot geweld. De verheerlijking van terrorisme is op die logica geënt.’

Volgens Vermeersch is terrorisme voldoende nauwkeurig omschreven. De wet verwijst naar een limitatieve lijst van misdrijven, vereist een terroristisch oogmerk en legt bijkomende voorwaarden op. Daardoor krijgt een rechter volgens hem minder speelruimte dan bij vagere begrippen zoals het aanzetten tot ‘haat’.

Dat argument is niet onbelangrijk. Een burger moet vooraf kunnen weten welk gedrag strafbaar is. Hoe vager de norm, hoe groter het risico dat rechters, parketten en politici hun eigen overtuigingen in de toepassing laten binnensluipen.

Toch verdwijnt het interpretatieprobleem niet. Begrippen als ‘goedkeuren’, ‘rechtvaardigen’ en ‘schromelijk minimaliseren’ spreken niet voor zichzelf. Een rechter moet altijd de inhoud, context, het publiek en de bedoeling van de spreker beoordelen. De wet kan die afweging sturen, maar nooit volledig objectief maken.

Kleurenblind

Daar komt het gevaar van selectieve verontwaardiging bij. Uitspraken die bij een extreemrechtse spreker meteen als gevaarlijk gelden, worden bij een extreemlinkse activist soms als provocatie of maatschappijkritiek behandeld. Omgekeerd kan dezelfde reflex spelen.

‘De wet moet kleurenblind zijn’, zegt Vermeersch. ‘Als van rechtse kant terrorisme wordt goedgekeurd of toegejuicht, moet de wet ook worden toegepast. Zo eenvoudig is het.’

‘De wet moet kleurenblind zijn’, zegt Vermeersch.

Royer bevestigt dat de wettekst geen onderscheid maakt tussen islamistisch, extreemrechts of extreemlinks terrorisme. Dezelfde voorwaarden gelden voor iedereen. Dat betekent nog niet dat gelijkaardige zaken even vaak bij een rechter belanden. De selectie gebeurt eerder : bij aangiftes, politieonderzoek en de beslissing van het parket om te vervolgen.

Bovendien kunnen geschreven en online uitingen als drukpersmisdrijven voor het hof van assisen belanden. Omdat zulke processen haast nooit worden georganiseerd, verwacht Royer dat veel mogelijke gevallen van terroristische verheerlijking nooit inhoudelijk worden beoordeeld. De wet kan daardoor streng ogen, maar in de praktijk een papieren tijger blijven.

IS in actie in Irak en Syrië (foto: www.rt.com)

De ongemakkelijke grens

Een democratie hoeft niet lijdzaam toe te kijken wanneer propaganda mensen naar Politiek geweld duwt. Vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief om doelbewust een aanslag uit te lokken. Maar dezelfde democratie moet verdragen dat mensen radicale en zelfs moreel weerzinwekkende ideeën verkondigen.

De grens ligt daarom niet bij onze afkeer van een uitspraak. Ze ligt bij het aantoonbare gevaar dat eruit ontstaat en bij de bedoeling van de spreker om dat gevaar te scheppen. Zonder die voorwaarden dreigt de strijd tegen terreur te veranderen in de bestraffing van ideeën.

Piker bracht het debat naar ManiFiesta. De inzet reikt verder. Een rechtsstaat toont zijn kracht niet alleen door geweld te bestrijden, maar ook door de vrijheid te bewaren wanneer bijna niemand geneigd is haar te verdedigen.

Jan Fabry (°1991) is journalist bij Doorbraak en doctor in de Nederlandse filologie. Hij woonde en werkte in België, Frankrijk, Polen en Tsjechië als leerkracht en onderzoeker. Zijn interesses situeren zich op het snijvlak van politiek, taal, geschiedenis en identiteit, met een bijzondere aandacht voor Vlaanderen en de Lage Landen.